Maandelijks archief: augustus 2015

Belofte

Ergens tussen amuse en voorgerecht kwamen ze binnen. Hij lang, blauwe ogen en zijn blonde haren quasi nonchalant door elkaar gewoeld. Zijn twee-dagen-baardgroei benadrukte zijn kapsel. Zij was ook niet de kleinste, maar de zekerheid in haar houding deed je de lichaamslengte volledig vergeten. Ze namen plaats twee tafeltjes bij ons vandaan.
Niet veel later stonden twee glazen Prosecco voor hun neus. Op de rand van hun glazen balanceerde een aardbeitje. Beiden pakten ze hun glas en namen een flinke slok.
‘Ze proosten niet met elkaar…’ Het was eruit voordat ik er erg in had.
‘Hmm?’ Lief keek mij vanaf de andere kant van de tafel vragend aan. ‘Ze proosten niet met elkaar,’ zei ik nog een keer, terwijl ik met mijn hoofd een zacht knikje naar links maakte. Lief keek, pakte zijn eigen glas Prosecco en hief deze naar mij.
‘Dan doen wij het nog wel een keer,’ grijnsde hij. Onze glazen klinkden voor de vierde keer die avond tegen elkaar.
‘Proost! Op ons, op het leven en op onze buren. Dat ze maar net zo’n gezellige avond krijgen als wij hebben!’
We lachten allebei en maakten plaats voor de ober die het voorgerecht kwam uitleggen.
Voorzichtig proefde ik de tonijn, zacht gegaard in de oven. De zoete aardpeer en kleine plukjes salade en druppeltjes dressing gaf het gevoel dat het spreekwoordelijke engeltje absoluut aanwezig was om over onze tongen te piesen.
Hapje voor hapje genoot ik van de sensatie in de mijn mond. Zoet, zout, zuur en iets… peperig. Het was heerlijk.
De avond kabbelde door. We genoten van het eten, van elkaar.
Tijdens het hoofdgerecht boog lief zich naar me toe.
‘Ze hebben ruzie geloof ik,’ fluisterde hij. ‘Heel erge ruzie. Het is een beetje gênant zelfs…’
Ik gluurde een beetje naar links en zag de verbeten trek om de mond van de man.
‘Ze gaat huilen…’ Lief keek mij perplex aan. ‘Niet zomaar een beetje, ze huilt echt.’
Ik gluurde nog een keer naar de man. Met zijn armen over elkaar keek hij vernietigend naar zijn tafeldame. Mijn ogen gleden naar de borden. ‘Ze zijn al net zover als wij zijn,’ fluisterde ik verbaasd.
‘Ze zitten ook niet te eten,’ antwoordde lief. ‘Ze schuiven het naar binnen zonder te kauwen. Zonde…’
Op dat moment schoof de vrouw haar stoel naar achteren en beende met lange passen in de richting van de wc. Hij keek haar niet na, maar ging achterover zitten. Verveeld. Boos. Ongeduldig.
‘Waarom gaan ze hier eten als ze ruzie willen maken?’ vroeg ik. ‘Het eten is nu ook niet bepaald het frietje van Pietje van om de hoek. Wat zonde toch…’
Lief haalde zijn schouders op. ‘Misschien is dit wel hun wekelijkse gang naar dit restaurant. Dan maakt het niet meer zoveel uit of je geniet of niet…’ Ik keek nog eens een keer naar mijn bord, waar wat laatste restjes lagen van een geweldig hoofdgerecht.
De vrouw was ondertussen terug gekomen en schoof aan tafel.
Ze had zichzelf opgepept op de wc, want nu ging ze pas echt los. Haar ogen schoten vuur en haar handen wezen verschillende keren dreigend naar de man, het mes in haar rechterhand geklemd. Zowel lief als ik hielden het mes in de gaten. Je hoort de gekste dingen tegenwoordig. De man keek haar aan en liet haar gaan. Bij haar laatste woord schoot hij naar voren, zijn neus bijna tegen haar gezicht aan. Verschrikt deinsde ze achteruit. Zijn woorden kwamen aan, want opnieuw rolde er een traan over haar wang. Geërgerd pakte de man zijn glas en dronk het in een enkele teug leeg.
‘Als ze maar niet op de snelweg gaat lopen,’ zei mijn lief. Geschokt keek ik hem aan. Mijn gedachten terug naar een kleine week geleden. 
Na ons dessert en het grand café wandelden we naar buiten.
Daar keek ik nog één keer naar binnen. De ogen van de man ontmoetten de mijne. Kil. Koud. En staalhard.
Een rilling liep over mijn rug.
Snel vlocht ik mij vingers door die van mijn lief. Hij plantte een snelle kus op mijn mond en fluisterde: ‘Laten we nooit zo worden zoals zij. Beloof je dat?’
Waarvan akte.

ruzie

Advertenties

Kwetsbaar

Het is na middernacht en lief en ik zijn onderweg van liefvriendin naar huis.
Rozig van de zonnige dag, de gezellig avond en het heerlijk glaasje wijn in de tuin van liefvriendin’s nieuwe huisje, nestel ik me iets dieper in de stoel van ons autootje. De nacht is helder. Buiten is het nog zwoel. De playlist laat zachte muziek horen, lief en ik kletsen wat. Af en toe legt hij zijn hand op mijn knie. Het voelt warm, vertrouwd en loom.
Plotseling schiet lief overeind, geeft het stuur een kleine ruk en draait razendsnel het stuur weer terug in de juiste positie.
‘Zag je dat?’ Zijn stem klinkt schril en hard door de muziek heen.
Ik schud mijn hoofd, klaarwakker ondertussen en draai me half om in mijn stoel.
‘Nee. Wat is er?’ Mijn hart klopt in mijn keel. Wat zou hij gezien hebben?
‘Daar stond een meisje. Langs de kant van de weg. Zag je haar niet?’
Weer schud ik ontkennend mijn hoofd.
‘Nee, ik heb niets gezien. Weet je het zeker?’ vraag ik.
‘Absoluut! Wat doet ze daar? Levensgevaarlijk!’
Weer draai ik me om in mijn stoel. Achter ons rijdt een andere auto. Zou hij haar ook gezien hebben?
Ondertussen glijden de kilometers ons vandaan. Weg bij het moment.
‘Ze had een kort rokje of een korte broek aan. En een topje. Ik weet het zeker. Ze liep met haar telefoon.’
‘Misschien had ze pech…?’ probeer ik nog. Maar lief is niet overtuigd. ‘Er was geen auto,’ antwoordt hij. ‘Bovendien liep ze levensgevaarlijk. Met de rug naar ons toe, nog geen halve meter van de witte streep vandaan.’
‘Misschien moeten we even de politie bellen?’ opper ik.
Op dat moment vliegt er aan de andere kant een politieauto met hoge snelheid voorbij. Onderweg naar het punt waar mijn lief de jonge vrouw of meisje zag.
‘Volgens mij hebben meer mensen dat al gedaan,’ zucht hij opgelucht. ‘Deze auto is zeker op weg naar die plek.’
Langzaam laat ik me weer terugzakken in mijn stoel. Niet helemaal gerust, maar ook wat machteloos. We zitten op de snelweg. Het is middernacht. Wat moeten, wat kúnnen we nog meer doen?
De muziek draait door. Ik krijg het gevoel niet meer te pakken.
Als we thuis zijn en in bed liggen hebben we beiden dezelfde gedachten. Zowel lief als ik zijn stil. Allebei googelen we.  Bijna tegelijkertijd vinden we het bericht. 
‘Rond kwart over twaalf is er een ongeval gebeurd met dodelijke afloop.’
De foto die erbij geplaatst is laat een eenzaam wit laken over iets heen zien.
Midden in de nacht. Alles is donker. Op dat witte laken na.
Ik hoor dat lief zijn adem inhoudt. Ik slik.
‘Ik ga de politie bellen,’ besluit hij. ‘Ik wil vertellen dat we haar ook gezien hebben.’
Gedecideerd slingert hij zijn benen uit bed en loopt naar beneden om zijn telefoon te halen. Terwijl hij zijn verhaal doet aan de politie moet ik mezelf bedwingen om niet ook mijn telefoon te pakken. Ik voel een dringende behoefte om de kinderen te bellen. Ik wil weten of ze veilig thuis zijn. Niet ergens over een snelweg dwalen. En ik weet dat het gekkenhuis is.
Natuurlijk lopen ze niet in hun eentje over de snelweg! Waarom zouden ze?
Een stemmetje dat in mijn hoofd fluistert is maar moeilijk te negeren. ‘Misschien denken de ouders van dat meisje dat ook… Of de partner. Hebben ze geen idee dat hun dochter, hun vriendin in het midden van de nacht over een snelweg loopt?’
Het is ver na middernacht! zegt mijn verstand. Bijna half twee zelfs. De kinderen schrikken zich rot als je nu belt!
Ik luister naar mijn ratio. Heb een onrustige nacht.
‘s-Morgens lezen we de update. Dan mag ik van mezelf de kinderen appen. Met een rotsmoes. Ik wil geen overbezorgde moeder lijken. Opgelucht dat ze alledrie iets onbenulligs appen, voel ik mijn lichaam iets ontspannen.
Dat van mij wel.
Arme moeder van het meisje.
Wat een nachtmerrie is ze in terecht gekomen…

nachtauto

Ooit

Ergens tussen nu en nooit ligt een wereld van verschil.
Het sluimert in je achterhoofd. Wacht op dat ene stemmetje dat aangeeft:
‘Nu. Ja nu! Luister naar me, het is goed…’
Maar wat nu als je doof bent voor al die fluisteringen?
Als je wacht tot het je wakker maakt en luid en duidelijk schreeuwt:
‘Ik bedoel nu! Hoor je me? Nu! Niet nooit…’?
En wat nu als je je eigen taal niet kent? Als je doler bent in eigen lijf?
Ben je dan gedoemd om te verdwalen in je eigen leven?
Of is er toch misschien stiekem ergens nog een beetje ooit?

what if

Stapeltjes

Waar het omslagpunt van sloddervos naar redelijk georganiseerd opgeruimd is gekomen weet ik niet meer. Het zal met leeftijd te maken hebben, het hebben van een gezin (goed voorbeeld doet volgen! Haha) en misschien ook wel mijn werk. Het heeft niet zoveel zin om zaken snel en efficiënt te organiseren als je niets kunt terugvinden.
Denk ik.
Weet ik.
Bovendien leerde ik van een psych tijdens een zwarte periode in mijn leven dat een opgeruimde omgeving ook een opgeruimd hoofd geeft. ‘Opruimen. Zowel letterlijk als figuurlijk,’ was zijn advies.
Het kostte me moeite, ik geef dat eerlijk toe.
Dagboeken kunnen een schat aan waarde geven, maar zijn soms ook een blok aan je been.
Eén enkele doos of kist mocht ik bewaren met mijn meest dierbaarste spullen erin. Uit mijn jeugd, uit mijn eerste huwelijk, de kindertijd van mijn eigen kinderen. En een lege doos mocht ik klaarzetten. Eén doos gevuld met verleden en die lege doos wachtend op de toekomst.
Na de eerste zware weken kreeg ik de smaak te pakken. Ik ruimde het huis op, kamer na kamer en tijdens de laatste verhuizing werden ook de zolder en schuur aangepakt. Aanhangwagentjes vol gingen naar de stort of naar recycling winkels.
Het voelde alsof ik zelf tien kilo lichter was geworden.
We maakten ook een nieuwe afspraak: iets nieuws kopen, iets ouds eruit. Met kleding, met meubels, met van alles eigenlijk.
Dat lukt best goed. Mijn kledingkast puilt niet uit, de huiskamer staat niet overvol en de ondertussen lege kinderslaapkamers staan niet volgestouwd met allerlei nutteloze troep.
Er is maar één zonde waar ik niet uit lijk te komen.
Stapeltjes.
Ik sleep ze op vrije dagen overal achter me aan. Van huiskamer naar keuken, de tuin in, terug de woonkamer in.
Nodig heb ik ze niet echt. Maar het voelt gewoon fijn om ze in de buurt te hebben. Voor het geval dát…
Op werkdagen gaan er een aantal mee mijn werktas in. Geen idee waarom. Ik kijk er eigenlijk op werkdagen namelijk nooit echt in. Niet meer in ieder geval, nu ik op de fiets naar het werk ga.
Het blijft iets geks, die stapeltjes.
Stapeltjes van wat?
Nou, boeken, tijdschriften, potloden, pennen, Moleskine schriftjes.
Ach ja, ik kan ergere dingen bedenken.
Toch?

stapeltjes

Dorpse gemoedelijkheid

Per toeval belandde we op een braderie. In ons eigen dorp.
Verbaasd keken we elkaar aan.
‘Wist jij dit?’
‘Hmm? Nee, niet echt… maar ja, hoe hadden we het kunnen weten? De ‘Nee-Nee-sticker’ zit natuurlijk niet voor niets bij ons op de brievenbus geplakt.’ Handig voor alle folders die we toch niet lezen, maar soms ook niet erg handig als je ziet wat we allemaal kunnen missen!
Goed, soms is de grootte van een dorp al genoeg om zaken zoals dit toch wel op te merken, dus we liepen plotseling langs kraampjes met ouwe meuk. Op zoek naar een volgend leven in een garage of op een zolder bij een potentiële koper. Of in de kamer, als je van porseleinen beeldjes houdt die zielig huilende zigeunerjongens voorstellen.
Plotseling sprong er een mevrouw voor mijn neus, gewapend met poederkwast en een blikje met een bruin gebronsd blok.
‘Deze poeder geeft uw eigen huidskleur binnen een tel weer glans. Niet te zien dat u poeder draagt, maar u ziet er stralend gezond uit. Ook in de winter.’
Ze moet mijn verschrikte niet opgemerkt hebben, want ze ratelde maar door.
‘Ja, ook couperose wordt hier helemaal mee verdoezeld.’
Met nog een stapje dichterbij stond ze bijna met haar neus tegen de mijne.
‘Mag ik even?’
Voordat ik adem kon halen had ze de kwast al vakkundig over mijn linkerwang heen gehaald.
‘Heel mooi…’ Keurend deed ze een stapje naar achteren en bekeek het resultaat alsof ze Rembrandt was die één van zijn schilderijen in wording aan het taxeren was. Ze knikte eens goedkeurend en greep haar handspiegel die achter haar op de tafel lag.
‘Kijkt u zelf maar. Heel natuurlijk. Ziet u wel? En ook uw couperose is niet meer zichtbaar.’
Nu was ik me van heel die couperose niet bewust en als het er al zou zitten, dan had ik me er in de afgelopen 49 jaar niet aan gestoord in ieder geval. Maar van pure verbijstering knikte ik.
‘Zo, nu de andere wang nog, die vertoont echt veel meer couperose…’
Dit ging me te ver.
Ik hoef niet voor Miss World uitgemaakt te worden, maar een gezicht met couperose?
De vrouw ratelde maar door ondertussen.
‘En vandaag hebben we een leuke aanbieding vanwege de Braderie hier!’ Stralend pakte ze een grote doos waar een groot bruinblok in zat, mét poederkwast en een kleiner formaat poederdoos. ‘Vandaag voor 25 euro en dan krijgt u er van mij een minikwast bij. Handig voor in uw handtas. Ze knikte naar mijn schouder, waar niets aan hing, want ik ben niet zo van de tassen… Ze merkte het niet eens op, zo enthousiast was ze over haar eigen producten.
‘Én… omdat het zo’n mooie dag krijgt u er ook een lippenstift bij. Neemt de kleur van uw lippen aan en zal er niet uitzien als lippenstift! Mag ik even?’
Haar greep naar de lippenstift die op de tafel stond was net zo snel als mijn ‘Nee, dank u!’
Haar hand bleef halverwege de weg naar mijn lippen in de lucht hangen. Verbijsterd keek ze me aan.
‘Nee?’
‘Nee!’ schudde ik gedecideerd mijn hoofd. ‘Ik draag geen lippenstift. Nooit! Dus nu ook niet.’
‘Maar…’ Ze gaf zich duidelijk nog niet zo één-twee-drie gewonnen.
‘Nee,’ schudde ik nogmaals mijn hoofd en herhaalde het woord voor alle zekerheid een keer of drie.
‘En ik hoef ook de aanbieding van u niet. Ik draag eigenlijk ook nooit poeder. Dus… Fijne dag?’
Ik draaide me snel om en versnelde mijn pas. Bang dat ze achter me aan zou komen.
Op de terugweg een klein uurtje later passeerde ik haar kraam, veilig aan de andere kant van de weg.
De mevrouw die op dat moment op de kruk zat (zover had ze mij in ieder geval niet gekregen) keek ongelukkig om zich heen. Zag niemand haar ongemak?
Ik grijnsde haar bemoedigend toe.
Thuis was mijn eerst loopje naar de badkamer. Weg met die bruine troep van mijn wangen.
En ammehoela met die dorpse gemoedelijkheid.
Agressie vindt soms haar weg naar de landelijke.
Het zou verboden moeten worden!

aging

Het vijfde seizoen

Als kind had ik een boekje van Rie Cramer. Over de vier jaargetijden.
Ik herinner me dat boekje nog heel goed omdat ik er ooit eens een versje uit heb moeten leren. Dit versje viel overigens niet in goede aarde bij de juf waarbij ik het moest voordragen. Te kort, te eenvoudig, ik had een voorbeeld moeten nemen aan een ander klasgenootje, die warempel een gedicht voordroeg waarbij iedereen stijl achterover viel. Het was de eerste keer dat ik een boek de hoek van mijn slaapkamer in smeet en er vanaf dat moment een nare smaak van in mijn mond kreeg als ik het toevallig weer een keer onder ogen kreeg. lente zomer herfst winter
Nu was er nóg wel een reden waarom ik twijfelachtige gevoelens had bij dat boekje. Ik miste het vijfde seizoen.
Mijn lievelingsseizoen.
Ook daarin beet de juf mij toe dat een jaar nu eenmaal vier seizoenen heeft en geen vijf, zoals ik ooit voorzichtig suggereerde.
Natuurlijk bedacht ik me tien keer liever dan dat ik tegen de juf inging. Stel je voor dat ze me nog een keer voor gek zette in de klas. Ik was misschien niet de slimste van de klas, maar toch ook zeker niet de domste!
Jaren later – toen ik al lang en breed een gezin had en volwassen was zoals ze dat dan zeggen – viel ik van verbazing bijna van mijn stoel toen tijdens mijn opleiding TCM mijn leraar het de hele tijd over het vijfde seizoen had.
De nazomer.
Het seizoen tussen zomer en herfst.
De tijd waarin de nachten al langer worden, maar de dagen nog voldoende warmte geven om je een zomers gevoel te geven.
De periode van kleur, warmte, oogst en voorzichtig klaar maken voor de herfst.
Kijk, dát was precies het seizoen dat ik bedoelde als kind. De maanden augustus, september, oktober.
Mijn lievelingsmaanden. Mijn lievelingsseizoen.
Vandaag is het 2 augustus.
Mijn lievelingsseizoen is weer begonnen!
Jammer dat Rie Cramer al tijden niet meer onder ons is, anders had ik haar vriendelijk toch dringend verzocht om een een ander boekje.
De vijf seizoenen.
Ik vind het wel wat hebben… 😉

nazomer