Maandelijks archief: oktober 2015

Zen

‘Mogen we misschien even van de telefoon gebruik maken?’ Ik kijk onze gastvrouw vragend aan en negeer haar verraste gezicht. ‘Om even naar huis te bellen. Dat we goed zijn aangekomen,’ verduidelijk ik haar.
Ze knikt, kijkt ons dan nog een keer goed aan. We zien er inderdaad niet echt uit alsof we van een andere planeet komen, of uit een streek waar mobiele telefonie haar intrede nog niet gedaan heeft. ‘Hebben jullie een handy?’ vraagt ze dan toch maar.
We knikken bevestigend.
‘Jawel,’ zeg ik dan, ‘maar die hebben we thuis gelaten. Net als onze iPads en MacBooks. We willen echt vakantie hebben en niet iedere keer met ons werk geconfronteerd worden of andere sociale media. Uitrusten, niets doen, lezen, wandelen, daar zijn we hier voor.’
De glimlach die halverwege mijn uitleg op het gezicht van de vrouw verschijnt breekt door tot een brede lach.
‘Wat een goed idee!’ roept ze uit. ‘Ik ga mijn vaste telefoon halen, dan kunnen jullie de kinderen bellen.’
Een half uur later zijn we geïnstalleerd in onze Feriënwohnung en is het thuisfront ingelicht dat we goed zijn aangekomen.
Het grote avontuur van niet-bereikbaar-zijn en niet-online-zijn kan beginnen.
De eerste dag grijp ik af en toe nog mis in mijn tas. Een iPhone heeft tegenwoordig toch wel een mooie camera ingebouwd, waar ik veel (héél veel!) en graag gebruik van maak. Even snel een winkel en openingstijden in de omgeving opzoeken voeren we nu in natura uit. We rijden naar het plaatsje waar we op de heenweg doorheen zijn gereden en wat er best leuk uitzag en zoeken een parkeerplek. Als we er dan toch zijn, nemen we direct het hele dorp maar even mee en slenteren we van winkel naar kroeg via restaurant naar huis om daar met een ouderwets boek op de bank te kruipen. Nog een spelletje Yahtzee en dan rollen we ons bed in.
Dag twee gaat al wat beter. Gewapend met spiegelreflex en wandelkaarten trekken we er op uit om een paar uur later in een berghut aan te schuiven bij andere wandelaars. Hoog in de bergen is het leven simpel. Een houtkachel, eenvoudige tafels met stoelen, lekker warm eten en goed drinken. Meer hebben we niet nodig eigenlijk.
De rest van de week denk ik niet meer aan alle mobiele apparaten en zelfs als mijn lief onderweg vraagt wat dat in de verte toch voor gebouw zou zijn trek ik achteloos mijn schouders op. ‘Misschien een klooster of een ziekenhuis,’ opper ik. ‘Of een kasteel… Geen idee.’
Ik hoef het ook niet te weten. Ik wil het niet eens opzoeken.
Eenmaal thuis moet ik wennen aan de constante bereikbaarheid. Dagenlang heeft mijn iPhone nog ergens op een kastje geslingerd. Pas toen jongste gisteren een groepsgesprek had opgestart met haar liefvader en mij en mijn lief mij op de vaste telefoon belde om te vragen waar ik in hemelsnaam uithing omdat ik niet reageerde, bedacht ik me dat ik me langzaam maar weer in de ‘gewone’ wereld moest gaan begeven.
Alleen, het was zo lekker rustig zonder…

Berghut 6

Advertenties

Dakloos-Like?

Afgelopen weekend zag ik een foto van een zwerver op Facebook voorbijkomen.
Duizenden mensen hadden de foto ge-Liked. Geen wonder, want onder de zwerverskleding zat niemand minder dan Richard Gere. Hij liet zien dat hij als zwerver – net als de meeste zwervers – geen enkele kans maakt in de straten van New York.
De vele Likes verbaasde me.
Waren de mensen de foto nu aan het ‘Liken’ omdat het Richard Gere was? Omdat ze zwervers een hart onder de riem willen steken? Of..?
Het maakte in ieder geval dat ik weer moest denken aan die keer dat we met ons gezin een weekend in Parijs waren.
Jaren geleden.
Niet bij Euro-Disney, niet onder de Eiffeltoren, niet winkelend op de Champs Elysees. Nee, in dat weekend gingen we met hen de wijken in. Het echte Parijse leven opsnuiven. Daar hoorden de gewone buurtsupers bij, de straatmarkten, schoolkinderen, kleine parken en natuurlijk ook de zwervers.
Het duurde even voordat de kinderen niet meer schrokken bij het zien van de karren vol met de gehele huisraad van één persoon. Als je al van huisraad kon spreken natuurlijk.
Het was ook de eerste kennismaking van ze met het delen van hetgeen ze zelf hadden.
Na een bezoek aan de supermarkt voor een stokbrood, wat kaas, worst, drinken en een familiepak ijsjes liepen we naar buiten. Oudste deelde de ijsjes uit en keek toen naar het 6e exemplaar in het pak. We waren met z’n vijven. Hoe ging hij dat nu doen?
Middelste grapte: ‘Misschien wil die zwerver buiten dat ijsje wel!’ Jongste was direct voor. Oudste twijfelde. Niet omdat hij het ijsje niet wilde geven, maar omdat hij dacht dat de zwerver het misschien wel gek zou vinden. Wie geeft er nu een ijsje aan een dakloze?
Middelste vond het juist een geweldig plan, maar twijfelde nog even over de taal.
Hoe moest hij nou zeggen dat het ijsje voor die man was?
Jongste vond dat geen probleem. Als je iets gaf aan iemand had je volgens haar geen woorden nodig. Het sprak toch voor zich!
Middelste twijfelde nog. Keek ons toen vragend aan. ‘Hoe zeg ik nou dat hij dat ijsje mag hebben?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Gewoon, je zegt “S’il vous plaît”. Dat is genoeg,’
Middelste en jongste oefende een paar keer en renden toen met het ijsje naar buiten.
Razendsnel staken ze de straat over en gaven het ijsje aan de man.
Verbouwereerd pakte hij het aan. Met grote ogen keek hij de twee na, die weer terug naar ons renden.
Zijn ogen gleden van het ijsje naar jongste en middelste. Toen trok hij het papiertje eraf en werkte het ijsje in vier happen naar binnen. Het stokje en papiertje belande in de goot.
‘Tsss, echt opgevoed is hij niet zeg,’ mopperde jongste, maar met een tevreden gevoel likte ze aan haar eigen ijs.
Zouden alle ‘Likers’ nu zelf ook weleens iets aan een zwerver gegeven hebben?
De vraag houdt me de hele dag al bezig…

Richard
                                                                                                          *KLIK*

Opkikkers in Breda

‘Je bent blond! Ik was op zoek naar een donkerharig meisje…’
Grijnzend staat hij tegenover me. Dan slaat hij zijn armen om me heen en geeft me drie dikke kussen.
‘Jeetje, je bent blond,’ zegt hij dan nog een keer.
‘En al lang geen meisje meer,’ voeg ik er lachend aan toe. ‘Overigens, ik wist ook niet zo goed waar ik naar op zoek was,’ zeg ik dan. ‘Ik herinner me alleen die jongen nog. Maar je bent een man nu.’
Taxerend nemen we elkaar op en schieten dan beiden in de lach.
‘Honderd jaar ouder en hopelijk evenveel jaren zoveel wijzer.’
Hij wijst naar binnen. ‘Binnen of buiten lunchen?’
‘Binnen,’ zeg ik. ‘Dat is misschien rustiger en ik ben reuze benieuwd naar je!’
Niet veel later zitten we samen aan de koffie en verse jus d’Orange. De broodjes zijn besteld en het lijkt erop dat we het gesprek oppakken waar we – pakweg – 37 jaar geleden zijn opgehouden.
‘Wat waren we een leuke klas, hè?’ vraagt hij. Ik kan het alleen maar beamen. ‘Weet je nog dat wij altijd wonnen met voetbal? Zelfs van de hogere klassen?’ Ik weet het nog. Ik herinner me de spandoeken die wij als meisjes maakten, overtuigd van de overwinningen van de jongens. ‘En Krootje, met haar enige echte Beatrixkapsel?’ Gniffelend roer ik door mijn thee.
We nemen de klas nog een keer door, vragen naar elkaars ouders en broers en zussen en vertellen over onze eigen gezinnen.
Dan komt het gesprek op hetgeen waar we deze afspraak aan te danken hebben.
Langdurig zieke kinderen.
Extreem zieke kinderen.
Kinderen en hun gezinsleden die het door ziekte niet zo getroffen hebben als wij met onze jeugd.
Vrijheid, onbezorgdheid, kattenkwaad uithalen en veel, héél veel buiten spelen, het hoorde allemaal bij onze kindertijd. We dachten er ook niet bij na.
Tegenwoordig weten we wel beter. Daar zijn we ouder(s) voor geworden.
Gelukkig zijn onze kinderen gezond. Hebben ze niet ieder uur aandacht of medicatie nodig. Dat is bij sommige gezinnen wel anders. We vertellen elkaar hoe bezorgd we soms zijn als één van onze kinderen niet lekker in hun vel zit, of als ze iets mankeren waar we zo één-twee-drie geen oplossing voor kunnen verzinnen. We kunnen ons bijna niet voorstellen hoe het moet zijn als één van de kinderen constant verzorging nodig heeft. Om angst te hebben voor de toekomst. Altijd bezorgd te moeten zijn.
Dag en nacht.
Jaar in, jaar uit.
Zoals vrienden van hem dat nu ondervinden.
Wat moet dat een aanslag zijn op het gezin. Op de rest van de broertjes en zusjes ook.
En ja, natuurlijk wil ik helpen om meer bekendheid te geven aan de zaterdagochtend die gepland staat om geld op te halen zodat ook dit gezin eens een onbezorgde dag kan hebben als gezin! Want dat is iets dat ieder kind nodig heeft, weten we allebei.
Een ochtend voor en door de Stichting Opkikker.
Zodat ook deze kinderen over 37 jaar een keer kunnen lunchen met een oude jeugdvriend!

Zaterdag 17 oktober 2015, 09.30 – 12.00 uur
Wielervereniging Breda
Terheijdenseweg 520
4826 AB Breda
Voor meer informatie: Klik hier

We zien jullie graag!!

opkikker

 

Paniek

Ik zal een jaar of twaalf, misschien dertien, geweest zijn toen ik voor het eerst zelf op pad ging. In mijn eentje. Onderweg naar Utrecht Centraal Station, waar mijn tante mij op zou halen. Die avond zou ik gaan oppassen op mijn twee neefjes. De een nog een baby, de ander een goed jaar ouder.
Ik vond het retespannend, want echt veel verder dan de grens van mijn eigen stad was ik nog niet geweest in mijn eentje. Altijd waren mijn ouders wel in de buurt en nu zou ik in de trein naar een wel héél grote stad gaan.
Ondertussen vond ik mezelf stiekem ook wel ongelooflijk stoer.
Ik bedoel, de zorg van twee kleine kinderen werd voor één avond toch maar mooi in mijn handen gelegd.
Ik mocht luiers verschonen, misschien wel meehelpen om ze in bad te doen en in ieder geval een fles aan de jongste geven!
Van de treinreis zelf herinner ik me niet zoveel meer. Van de aankomst des te meer.
Vooral de overweldigende hoeveelheid passagiers!
Al snel vergat ik dat er op mijn hart was gedrukt om vooral níet naar beneden te gaan, de diepte in. Ik moest naar boven. Met de roltrap mee. Had mijn tante gezegd…
Ik liet me met de stroom mee naar beneden voeren. De krochten van het station in.
In de diepte dwaalde ik van links naar rechts. Overal zag ik junky’s, nergens mijn tante.
Een man sprak me aan, op zoek naar wat geld voor een sticky.
In paniek zocht ik een telefooncel en belde naar mijn moeder. Wat moest ik doen?
Mijn tante bleek dezelfde gedachte te hebben en met mijn moeder als middelpunt-telefoniste vonden mijn tante en ik elkaar na een goed uur (twee uur?) dwalen.
Mijn neefjes waren schatjes. Ik was overstuur.
Het werd niet veel meer die avond.
Stoer liet ik mijn oom en tante nog weggaan om vervolgens als de sodemieter mijn vader te bellen. Hij moest komen en wel meteen! Ik bleef écht niet in een vreemd huis met twee wel héél kleine kinderen alleen zitten. Huilend smeekte ik hem om naar me toe te komen. Het was mijn eerste kennismaking met paniek.
Mijn vader, de rust zelve, stond een uur later voor de deur. Samen wachtten we op de terugkomst van mijn oom en tante.
Toen ging ik mee naar huis.
Einde van mijn oppasavontuur.
Mijn neefjes zijn ondertussen neven geworden.
Van boefjes uitgegroeid tot ontzettend leuke mannen met ondertussen een eigen gezin.
Afgelopen week plaatsten ze een foto van hen twee op FB vanwege broertjes-en-zussen-dag.
De herinnering kwam in één klap terug.
Ik hoop voor hen dat ze betere oppassen hebben kunnen vinden voor hun kroost dan hun oudere nicht toentertijd!

Leiden

Foto uit familiearchief. Met dank aan de neven! Xx