Maandelijks archief: november 2015

Tweede jeugd

Afgelopen week moest ik mijn spiraaltje verwisselen. Oude eruit, nieuwe erin.
Vooraf had ik een gesprek met mijn huisarts. Ik twijfelde. Moest ik nu wél of niet gaan voor dat nieuwe spiraal? Ben ik eigenlijk nog wel vruchtbaar? Ik bedoel… ik ben niet meer de jongste en misschien heeft mijn lichaam het allang opgegeven om iedere maand een eitje te produceren. Door het spiraaltje ben ik al jaren bevrijd van mijn menstruatie, wat natuurlijk een mooie bijkomstigheid is bij een noodzakelijk gebeuren rondom de keuze om vooral niet meer zwanger te willen worden.
Huisarts en ik besloten: nog eenmaal vervangen. Tegen de tijd dat deze nieuwe eruit zou moeten zou het zo goed als echt afgelopen moeten zijn met mijn vruchtbaarheid.
Tot zover ging het allemaal goed.
Tevreden over dit besluit lag ik afgelopen maandag op de behandeltafel bij mijn dokter.
Vanaf dat moment werd het een ramp.
Oude spiraal weigerde los te laten en mijn lichaam weigerde nog harder om een nieuwe toe te laten toen de oude na veel gedoe toch verwijderd was.
Huisarts en ik keken elkaar eens aan tussen mijn benen door.
‘Dit gaat niet werken,’ zuchtte ze. ‘Misschien toch goed om het door de gynaecoloog te laten doen.’
Ik knikte en kroop voorzichtig van de tafel.
Hoeveel ongemak moet een vrouw doorstaan om geen kinderen te willen?
‘Pas op, je bent niet veilig nu, hè,’ waarschuwde ze me nog even bij het afscheid nemen.
Mijn vernietigende blik deed haar glimlachen.
‘Hmm, voorlopig geen polonaise aan je lijf, hè?’
Ik knikte voor de tweede keer en grimaste.
Vrijdag ging ik voor poging nummer twee. Andere locatie, andere arts, zelfde missie.
Na een half uur verliet ik een illusie armer en een ouderwetse prop maandverband tussen mijn benen de behandelkamer.
Littekenweefsel van geboorten en eerdere spiraaltjes hadden het onmogelijk gemaakt om de nieuwe te plaatsen. Ik was dan wel bevrijd van het littekenweefsel nu (daar had de arts zich goed voor ingespannen), maar  het nieuwe spiraal zat nog steeds goed opgeborgen in de langwerpige doos in mijn tas.
‘Over twee weken terug voor controle en dan plaatsen we hem alsnog.’ De woorden galmden door mijn hoofd en onmacht prikte in mijn ogen. Hoe moeilijk was het nu helemaal om een spiraaltje te vervangen? Allemachtig…
Nu, twee dagen verder, de buikkramp voorbij twijfel ik opnieuw.
Misschien moet ik de natuur haar gang laten gaan. Misschien moet ik dat spiraaltje maar laten voor wat het is.
Mijn lijf lijkt de beslissing al genomen te hebben. Nu ik nog…

eitjes

Advertenties

Du temps

Het duurde even. Een heel weekend, drie volle dagen. Voordat het goed tot me doordrong wat er nu precies gebeurd was.
Zo’n vierhonderd kilometer bij me vandaan.
Vierhonderd-en-vier kilometer om precies te zijn.
Vierhonderd-en-vier kilometer die wij ik weet niet hoe vaak al gereden hebben. Om naar onze stad te gaan. Zodat we konden genieten van de stad, de vele terrasjes, de parken, de mensen, de straten. Om te slenteren door de wijken, te flaneren over de boulevards. Parfum ruiken in Le Printemps, de adem stilletjes inhoudend als we voorbij één van de vele clochards lopen.
Kilometers die we maar wát graag overbrugden om boterzachte croissants te eten bij de Boulangerie op de hoek tegenover ons favoriete café. Petanque kijken in Jardin du Luxembourg. Urenlang. Stokbroodje bij de hand met een heerlijk stuk kaas, wat druiven en een goede fles wijn.
Op de achtergrond de straatgeluiden die zo kenmerkend zijn voor deze stad. Verkeer, mensen, de eeuwige sirenes van de Pompiers de Paris.
Stad van de liefde, stad van onze liefde.
Een stad die ik misschien wel beter ken dan menig ander in ons eigen land.
Machteloos moet ik op televisie aanschouwen hoe mensen koelbloedig vermoord worden in een theater waar wij een jaar geleden nog schuin aan de overzijde twee nachten hebben doorgebracht.
Ik kan er maar niet bij.
De overbekende sirenes snerken door de woonkamer in mijn Nederlandse huis. Ik wil ze niet horen. Ik wil mijn oren bedekken met mijn handen. Mijn ogen sluiten om het niet te hoeven zien. Maar ik weet ook: het drama dat bezig is en ik kan het niet tot stoppen dwingen.
Weer zie ik de straat waar we tientallen keren hebben gelopen. Onderweg naar ons bed, onderweg naar de stad, onderweg naar… ons Parijs.
Mijn hart huilt.
Zullen we ooit weer onbezorgd door de straten wandelen? Naast de echte Parijzenaars?
De tijd moet het gaan leren.
Tijd heelt alle wonden.
Zeggen ze.
Le temps guérit toutes les blessures…
Je l’espère!

paris

Kort verhaal

Ik schreef een kort verhaal. Stuurde het uiteindelijk toch maar niet op naar een wedstrijd. Maar… misschien willen jullie het wel lezen! 🙂 #veelplezier

Afluisteren

In de verte sloeg een deur dicht. Eva worstelde zich uit een diepe slaap omhoog, de werkelijkheid in. Haar ogen zochten de cijfers van een wekkertje, maar het leek erop dat iemand die had weggehaald. Voorzichtig kneep ze haar ogen tot spleetjes en gluurde naar het streepje licht dat door luiken naar binnen sijpelde. Waar was ze? Weer klapte er een deur. Nu dichterbij. De geur van specerijen en olie kriebelde in haar neus.
Plotseling wist ze het weer. Haar hart maakte een sprongetje en snel zwiepte ze haar benen over de rand van de bank. Bij gebrek aan een schoon bed had ze voor de bank gekozen. Of dat een goed idee was geweest wist ze nu niet zeker meer, haar rug voelde aan alsof er een truck overheen gereden was. Ook haar armen en benen waren stijf en leken gekneusd. Voorzichtig stond ze op en strekte haar rug langzaam uit met haar handen op de lenden. Toen schuifelde ze naar het raam een trok een van de luiken open . Een stroom koele wind verfriste haar gezicht. Eva zoog de lucht haar longen in en voelde hoe haar lijf langzaam wakker werd. In de verte klonk de oproep van de Imam, het ochtendgebed zou spoedig beginnen.
Langzaam draaide ze zich om en nam de kamer in zich op. Bed, bank, tafel, stoel, wastafel, meer was het niet. Ze hadden haar gewaarschuwd voor de eenvoudige inrichting, maar voor haar voelde het als het paradijs. Eindelijk! Eindelijk zou ze gaan doen waar ze haar hele leven al naar verlangd had. Nog steeds begreep ze niet precies hoe de puzzelstukjes in elkaar gevallen waren, maar feit was dat ze onderweg was voor het maken van een uitgebreide reportage in haar lievelingsblad. Een feuilleton over het leven en de cultuur van vrouwen in oorlogsgebied over de hele wereld. Jarenlang had ze het idee al in haar hoofd gehad. Voor zichzelf had ze het al honderden keren uitgewerkt om het vervolgens weer in de kast te leggen. Op haar blog had ze er ooit eens over geschreven, gefantaseerd hoe ze het zou aanpakken en hoe belangrijk het zou zijn voor alle vrouwen wereldwijd om te weten hoe de levens van andere vrouwen in elkaar zouden zitten. Haar droom om iets voor vrouwen te betekenen zou ze in werkelijkheid kunnen omzetten. Gesteund door andere vrouwen.
Dromen. Ach… wie had ze niet?
En toen was daar plotseling die mail met het voorstel om eens te komen praten. Foto’s en stukjes op haar site hadden de aandacht getrokken van de redacteur van ‘haar’ blad. Het plan was uitgewerkt tot een reis van enkele maanden door meerdere landen.
En nu stond ze dan in Afghanistan. Wat zou ze vandaag gaan zien? Wie zou ze gaan ontmoeten? Waar vind je vrouwen? De markt. Bij scholen. Ziekenhuizen… Misschien moest ze zich maar gaan aankleden. Slapen zou nu toch niet meer lukken.
Weer sloeg er een deur dicht. Nu leek het wel naast haar kamer. De voetstappen op de gang leken voor haar deur te stoppen. Eva spitste haar oren, maar veel meer dan gemurmel van wat stemmen hoorde ze niet.
Langzaam kleedde ze zich aan en pakte haar spullen. Notitieblok, potlood, reservepotlood, fototoestel, flesje water, ze stopte het zorgvuldig in haar rugzak. Ze hoopte maar dat haar gids beneden in de buurt van de lobby was. Haar ogen zochten een spiegel, maar die was weggehaald. Berustend haalde ze haar handen door haar haren en bond ze in een staart. Toen stapte ze de gang op, onderweg naar het avontuur.
De hele dag liep ze door de straten. Ze maakte foto’s en probeerde gesprekjes aan te knopen met de verschillende vrouwen. Sommigen spraken Engels, dat was een geluk. Anderen moesten met behulp van haar gids hun verhaal doen. En altijd was er dat stukje van herkenning. Vrouwen onder elkaar. Een soort van stilzwijgend verbond dat alleen zij leken te begrijpen. Ze wilde haast maken. Morgen, uiterlijk overmorgen vloog ze door naar Servië. Zoveel vrouwen te ontmoeten, zoveel vrouwen te zien.
Die nacht werd ze gewekt door een groep mensen die vlakbij met elkaar stonden te praten. Nu hoorde ze ze duidelijker. Nog steeds onverstaanbaar, maar wel duidelijker. Dat mensen zoveel lawaai konden maken in de nacht. Eva draaide zich om en probeerde te gaan slapen. Morgen zou ze op zoek gaan naar oordopjes, of in ieder geval iets van watten of zakdoekjes. Ze had haar rust hard nodig. Al die indrukken, de vreemde mensen, het geroezemoes…
De week vloog voorbij. Langzaam maar zeker ontwikkelde ze een ritme. Slapen, eten, onderweg zijn voor de gesprekken, weer eten om vervolgens uitgeput in bed te rollen.
Voor ze het wist had ze Servië alweer verlaten en sliep ze op een berg in een klein huisje van een kennis van haar gids, ergens in Irak. Hier zou ze vrouwen ontmoeten die met de kinderen de bergen in gevlucht waren. Hoe zouden ze leven? Hoe hielden ze hun hoofd boven water?
Eva lag op haar bed na te denken toen ze weer stemmen hoorde. Het was een groep. De stemmen kwamen dichterbij en leken naast haar raam stil te blijven staan. Flarden drongen naar binnen.
‘…geen uitzicht…’ ‘…geen idee hoe lang dit nog kan gaan duren.’ Ze hoorde hoe iemand haar (of zijn?) neus snoot. Huilden ze nu? Er waren verhalen te vertellen. Dat kon bijna niet anders. Verhalen uit de bergen, verhalen over vrouwen die het leven niet cadeau kregen.
Zachtjes stond Eva op en sloop naar het raam. Met haar oor tegen het luik probeerde ze de gesprekken op te vangen.
‘Weet u het zeker? Het kan toch zijn dat ze nog terugkomt? Ik bedoel…’ De andere stem suste de vrouw die had gesproken. ‘Het wordt steeds onwaarschijnlijker. Jullie moeten echt rekening houden met het ergste. Honderd procent zekerheid kan ik niet geven, maar het duurt nu al te lang…’ Eva hoorde hoe de vrouw harder begon te huilen. Over wie zouden ze het hebben? De moeder van de vrouw? De dochter? Een vriendin..? Vastbesloten om hen niet te laten gaan zonder het verhaal opgetekend te hebben schoot ze haar broek en trui aan. Snel pakte ze haar opschrijfboekje en liep naar de deur. Jeetje, wat klemde dat ding. Met haar schouder tegen de deur aan duwde ze hem open. Haastig liep ze de hoek om, naar haar raam en keek zoekend om zich heen. Ze konden nooit ver weg zijn. Links? Rechts? Waar zouden ze naar toe zijn gegaan? Aarzelend zette ze een paar stappen van haar huisje af. De buitenlucht voelde koel. In de verte hoorde ze iemand roepen. Een zweem jasmijngeur prikkelde haar neus. Haar lievelingsgeur.
Plotseling snakte Eva naar adem. Haar hart kromp samen, het maakte dat ze dubbelklapte waardoor ze zich op de grond liet zakken. Een gevoel van heimwee raakte haar als een mokerslag. Hoe zou het thuis zijn? Met haar ouders, haar moeder..? Het was zo lang geleden dat ze hen gesproken had. Die geur, die verdomde jasmijngeur had haar doen beseffen dat het misschien te lang geleden was. Drie weken? Vier weken? Ze wist het niet meer.
Voorzichtig stond Eva op en draaide zich om. De stemmen konden haar gestolen worden. Morgen zou ze eerst eens op zoek gaan naar een internetcafé. Misschien kon ze Skypen. Dat zou wel rust geven.
De zon brandde nu al uren op haar blote armen. Haar hoofd, benen en voeten waren goed bedekt, maar het had te warm geleken om een shirt met lange mouwen aan te trekken.
Irak had plaatsgemaakt voor Syrië en nu was ze alweer een paar dagen in Soedan.
De reis putte haar meer uit dan ze ooit voor mogelijk had kunnen houden.
Dorst. Dat was misschien wel het meest gebruikte woord van de afgelopen uren. Niet alleen door haar, maar ook door de vrouwen die ze ontmoet had. Zoveel dorst dat er zelfs voor de kinderen niet voldoende te drinken was. Lusteloos hingen ze om hun moeder of zusjes heen. Wachtend op een paar druppels regen.
Eva probeerde haar keel te schrapen. Een pijnlijk rauw gevoel had zich bovenin haar borstholte genesteld en het leek of slikken steeds moeizamer ging.
Met haar rug tegen een boom sloot ze een paar tellen haar ogen. De hitte was te verzengend om door te gaan. Ze besloot om in de schaduw stilletjes de afkoeling van de avond af te wachten. Misschien dat de wolken inderdaad zouden openbreken zoals het stamhoofd had beloofd. Dan konden ze allemaal weer opgelucht adem halen.
Tussen haar wimpers door observeerde Eva een paar jongetjes die nog dapper een paar geiten naar een groep bomen probeerde te drijven.
‘… achteruit gegaan…’ ‘Waarom reageert ze minder? Ik begrijp er niets van…’
‘Eva!’
Met een ruk schoten de ogen van Eva open. Wie riep haar naam? Verwilderd keek ze om zich heen. De schaduwen waren langer geworden. De dag liep op zijn eind. Van de jongens en de geiten was geen spoor meer te bekennen. Haar mond leek wel van karton, zo’n dorst had ze. Krampachtig probeerde ze te slikken, maar haar mond was gewoonweg te droog. Water, ze had beslist water nodig. Voorzichtig hees ze zichzelf overeind. Allemachtig, wat voelde ze stijf en stram aan. Zou vochttekort dit nu met een mens doen.
‘Eva…’ Weer hoorde ze haar naam. Nu leek het wel gefluister. Ze herkende de stem, maar toch ook weer niet.
Een druppel water spatte op haar neus. Verbaasd hief Eva haar gezicht op. Er volgde een tweede druppel die precies op haar lippen landde. Toen nog een en plotseling opende de hemel zich. Langzaam hief Eva haar armen naar de hemel en bleef stil staan. Tranen vermengden zich met regendruppels.
Het was genoeg.
Ze wilde weer naar huis. Naar haar eigen bed, haar eigen huis. En niet iedere keer dat reizen, afzien, verhalen optekenen om vervolgens weer onderweg te moeten gaan naar het volgende project. Van alles wat ze geschreven en gefotografeerd had, had ze nog niets teruggelezen. Vaak mailde ze het vanuit een internetcafé of een toevallig hotel waar ze voorbij reed, maar nog nooit had ze iets van haar hand terug gelezen in het weekblad. Ze was er vast van overtuigd dat haar moeder alle bladen zou bewaren, maar toch… Misschien vonden de lezers het niet eens leuk en lazen ze het niet.
De regen werd al snel minder. Eva liep terug naar haar kamer. Haar benen leken wel van lood, zo moe was ze.
Nadat ze droge kleren had aangetrokken en een fles water had leeggedronken ging Eva languit op bed liggen. Het duurde niet lang of ze sliep alweer. Tegenwoordig sliep ze sowieso meer uren dan ze wakker was. Veertien uur slapen was niets. En tijdens deze monsterslapen droomde ze steeds vaker de vreemdste dingen. Soms werd ze badend in het zweet wakker omdat ze dacht er mensen in haar kamer waren. Als het bonken van haar hart dan wat bedaard was, bleek het niets anders te zijn dan ratelende waterleidingen of rumoer op straat.
Ook nu droomde Eva weer onrustig. Ze zag haar ouders die probeerden met haar te praten. Maar de glasplaat tussen hen in verhinderde dat ze kon verstaan wat zij zeiden. Bonkend met haar vuisten op het raam probeerde ze de aandacht van haar moeder te trekken. Deze leek haar echter niet te zien. Ook haar vader liep heen en weer aan de andere kant van de glasplaat. Af en toe bleef hij staan en tuurde door het glas. Zonder haar te zien.
‘… tijd om afscheid te nemen. Ik laat u alleen.’
Eva’s ogen vlogen open. Deze keer was de stem helder en duidelijk.
Alles rondom Eva was donker. Ze probeerde haar arm op te heffen om het lichtknopje te zoeken. Maar alles was zwaar. Zwaarder dan lood. Zwaarder dan … dan wat dan ook.
‘Lieverd. Ik hou van je. Ik hou zo ontzettend veel van je. Je moet dat weten. Maar dat doe je wel, hè?’ Eva voelde hoe een koele hand liefdevol over haar wang haren wegstreek. De lippen van haar moeder raakte haar andere wang. De geur van jasmijn drong haar neus binnen.
‘Liefje, het is goed. Laat het maar los. Je hebt nu al zolang gestreden. Wij begrijpen wel dat je moet gaan. Onthoud goed, je bent altijd mijn liefste meisje geweest. Dat zal ook nooit veranderen. Het is goed. Toe maar. Ga maar…’ De stem van haar vader maakte dat de paniek ineens toesloeg.
Wat gebeurde hier? Waar waren haar ouders? Waren ze in haar kamer? En als dat zo was, waarom zag ze hen dan niet?
‘We gaan straks de machines afkoppelen. Wilt u daarbij blijven?’ De stem van de arts klonk helder in het hoofd van Eva.
Afkoppelen? Machines? Waren ze nu helemaal gek geworden? Waar hadden ze het over?
Wild probeerde Eva met haar armen en benen te slaan en schoppen, maar het leek wel alsof haar lichaam in beton gegoten was. Zelfs haar ogen kreeg ze niet meer open. Wisten ze dan niet dat ze er gewoon was? Dat ze hoorde wat ze zeiden?
‘Papa! Mama! Ik ben hier..!!’ De woorden bleven in haar borst hangen. Vonden de weg naar buiten niet.
Ze voelde hoe haar vader haar ene hand en haar moeder haar andere hand vastpakte.
‘Lief, lief meisje van me…’ Ze hoorde haar moeder dit ene zinnetje eindeloos herhalen. Haar vader drukte zijn lippen constant tegen de rug van haar hand, in een eindeloze zoen. Toen hoorde ze een klik. Nog een klik. Een piep, gevolgd door stilte.
Mama, papaaa… Stop! Niet doen. Ik ben hier. Ik ga niet meer op reis, ik doe het echt niet meer. Ik beloof het jullie. Mamaaaa…!
De laatste gedachten ebde weg. De geur van jasmijn hing in de kamer.
Op de tafel in de hoek van de kamer bescheen een lampje haar favoriete tijdschrift.
Iedere week een nieuwe reportage door een vaste redacteur. Feuilletons deden ze niet aan. Nooit gedaan trouwens. Dat was niets voor hen.

coma

Vrij

Het is donker. Pikdonker. Voorzichtig trekt hij zijn been onder zijn zoon vandaan die tegen hem aan in slaap gevallen is. Uitgeput. Hongerig. Langzaam, om hem vooral niet wakker te wakker te maken. Als zijn zoon onrustig kreunt houdt hij een moment zijn adem in. Laat hem alsjeblieft nog even slapen, bidt hij. Weggedoken in vergetelheid. Ze zitten hier nu al zo lang. Zou er ooit een eind aan deze nacht gaan komen?
Aan de andere kant van hem hoest iemand. Gemompel gaat als golf door de menigte heen.
Met hoeveel zouden ze hier zitten? Honderd? Tweehonderd? Hij heeft geen idee. Hij weet alleen dat het koud is en toch ook bedompt. Een geur van angst vermengd met oud zweet prikkelt zijn neus. Hij heeft frisse lucht nodig. Hij komt zuurstof tekort. Paniek golft door hem heen. Grijpt hem naar de keel.
Rustig blijven, adem halen, niet teveel nadenken!
Sissend laat hij zijn adem ontsnappen en sluit zijn ogen.
Groene velden, wuivend graan, zonnebloemen, daar moet hij aan denken. Niet aan de onzekerheid die voor hem ligt.
Langzaam komt zijn lijf weer wat tot rust.
Hij trekt zijn zoon tegen hem aan, streelt zijn haren. Zijn hand glijdt over de jas van zijn zoon, voelt de ruwe stof, de knopen. Dan voelt hij het stukje stof met de fijne steken. Zijn vrouw heeft het vlak voor hun vertrek op de jas van haar zoon en haar man genaaid. In gedachten ziet hij haar hoofd liefdevol gebogen over haar werk. Ze wilde het er netjes ophebben. Links op de revers. Op de plek waar het hart zit.
Zijn hand glijdt naar zijn eigen jas. Het voelt aan als een ster.
Een glimlach glijdt over zijn gezicht.
Het zal beter worden. Hij weet het zeker.
Dan schrikt hij op van een klap. Om hem heen beginnen mensen te schreeuwen. Jongens huilen.
Dan hoort hij stemmen buiten de ruimte. Deuren worden opgegooid en struikelend over elkaar klimmen ze naar buiten.
Ze zijn er geweest. Het is allemaal voor niets geweest.
Zijn arm klemt om zijn zoon heen. ‘Houd mij vast, laat mij vooral niet los!’ schreeuwt hij. De grote donkere ogen van zijn zoon kijken zijn vader angstig aan. Met twee handen houdt hij de arm van zijn vader vast. Ze zullen hem moeten loshakken als ze hem van zijn vader gescheiden willen krijgen.
Plotseling horen ze mensen roepen.
‘You are safe! Don’t worry. You’re safe now. We will take care of you.’
Dekens worden om hen heen gelegd en bekers warme thee wordt tussen de verkleumde handen gedrukt.
Verdwaasd kijken ze elkaar aan. Hebben ze het echt gered? Zijn ze echt veilig? Tranen van opluchting rollen over de wangen. Ze gaan naar een veilig land. Een land waar geen oorlog is. Waar ze niet hoeven te vrezen voor hun leven. Hij hoopt dat ze naar het land kunnen gaan waar hij ooit over gelezen heeft. Waar kinderen iedere dag gewoon naar school gaan. Waar een toekomst gloort voor kinderen. Ook die van hem. Waar op zondagavond iedereen voor de televisie zit en kijkt hoe mensen taarten bakken of met een knop koffertjes geld bij elkaar raden. Misschien kunnen zijn vrouw en twee dochtertjes snel naar hen toekomen.
Warme kleding, eten, een huis, scholing, het lijkt ineens allemaal dichtbij. Hij wil er best voor werken. Hij heeft zijn hele leven tenslotte gewerkt, waarom nu dan niet? Hij kan andere vluchtelingen helpen. Ze les geven misschien. Hij was in zijn land een gerespecteerd leraar. Hij kan dat hier voortzetten. Maar hij wil ook best helpen op een boerderij, in een winkel of in een fabriek. Als dit nieuwe land hem helpt, wil hij beslist iets terug doen.
Een lach breekt zijn gezicht in tweeën. Een klein moment van stil geluk.
Misschien kan zijn zoontje zelfs gaan voetballen over niet al te lange tijd. Als ze in het land van Robben terechtkomen… Of van Van Persie.
Hij is de mensen nu al dankbaar.
Zijn vingers vinden weer het stukje stof op zijn jas.
‘The angel helped you, my friend,’ hoort hij naast zich. Zijn ogen vinden de blauwe ogen van een jonge vrouw. Vriendelijk knikt ze naar de beschermengel die zijn vrouw op de jassen heeft genaaid.
Stralend kijkt hij haar aan.
‘Yes, it did,’ zegt hij dan.
Hij weet niet dat zijn reis nu pas echt begint.
Onderweg naar hét vrije land…

vluchteling