Maandelijks archief: september 2016

Ironie ten top!

Hondjes uitlaten in het donker kan héél gevaarlijk zijn weet ik ondertussen.
Of, nou ja, alleen maar hondjes uitlaten in het donker is niet zo’n punt eigenlijk, het is meer mijn nieuwsgierigheid in combinatie met donker en hondjes uitlaten dat een probleem kan geven.
Door deze nieuwsgierigheid zag ik de verlaagde put niet in de berm toen ik voorbij het nieuw gebouwde huis in onze straat liep. Eindelijk, eindelijk was de bouw af en nu hadden de nieuwe bewoners tot mijn grote vreugde de heg rondom het pand weggehaald. Met alle lampen ontstoken had ik vrij zicht van woonkamer tot keuken, van tuin tot gang. Nieuwsgierig gluurde ik naar binnen.

Tot ik in de put stapte. Toen lag ik plotseling languit op de straat.
Maar niet voordat ik een luide *krak* hoorde.
Gek dat je direct weet: ‘Dit is niet goed nie!’
Gek ook dat je dan toch nog ergens iets vandaan weet te halen om naar huis te strompelen en de juiste handelingen weet uit te voeren voordat een paar voorzichtige tranen zich aandienen… Pijnstillers slikken; natte, koude doeken op de voet; been omhoog; telefoon bij de hand en eerste hulp bellen wat te doen. Het ging in een vloeiende beweging in elkaar over.

In overleg met ziekenhuis werd besloten om de nacht gewoon thuis door te brengen. Wachttijden bij de eerste hulp waren schrikbarend lang die avond en als mijn voet gebroken was (zoals ik vermoedde) kon het niet veel kwaad om het gewoon een nachtje thuis te laten rusten.

De volgende dag zat ik alsnog bij de röntgenafdeling. Een mooie breuk werd al snel zichtbaar in het buitenste middenvoetsbeentje. Recht doormidden.
‘Dat wordt gipsen,’ knikte de orthopeed serieus. Hij snapte waarschijnlijk niets van de wat lacherige stemming van lief en mij.
Soms kunnen gebeurtenissen zo bizar zijn, dat lachen de enige oplossing lijkt.

Het giebelen hield aan, zelfs toen duidelijk werd dat mijn hele onderbeen (van knie tot tenen) in het gips moest. Ook de boodschap dat ik twee weken niets mocht doen met het been kon er niet voor zorgen dat de slappe lach verdween.
Niet lopen, niet steunen, alleen rust en hoog houden zou de genezing bevorderen. Na twee weken wordt er gekeken of loopgips mogelijk is. Ik incasseerde het allemaal met een brede grijns.

Pas op het moment dat er spuitjes tevoorschijn werden gehaald en me werd medegedeeld dat ik mezelf de komende zes weken moest injecteren met deze vloeistof om te voorkomen dat trombose zou optreden, bevroor mijn lach.
Met een dreun belande ik op mijn overgebleven gezonde voet op de grond.
Spuitjes tegen de stolling. Terwijl mijn kind twee keer per week aan een infuus ligt om stollingsplaatjes toe te voegen.

De tranen kwamen gelijk met het gevoel van ironie.
Eindelijk.

spuit

Advertenties

Cijfertjes

Op de lagere school had je van die sommen waar ik geen bal van snapte.
Zoiets van: Jan en Toos hebben een kist met 50 appels. Ze rijden naar Jos, die 30 kilometer verderop woont. Onderweg eten ze beiden twee appels. Ze komen Joris tegen op 3 kilometer voor het huis van Jos. Hem geven ze vijf appels voor zijn kinderen.
Vraag: hoeveel appels krijgt Marie?

Marie?? Waar kwam die nu weer vandaan? En wat deed Joris in ‘s-hemelsnaam op de route naar Jos?
Slapeloze nachten kreeg ik van dit soort rekenkundige verhaaltjes.

Op de middelbare school ging ik dus met lood in mijn schoenen naar mijn wiskundeles. Dit zou een jarenlang drama worden, bedacht ik me somber.
Groot was de verassing dat ik gewoon goed was in wiskunde! Goed? Ik was gewoonweg (*kuch*) de beste van de klas!
Stelling van Pythagoras? Ik vond het zo logisch als wat! Net als al die stelsels, die voor mij gewoon een kwestie van goed invullen waren om tot de juiste oplossing te komen. Logica bleek my middle name. Op mijn eindlijst prijkte dus een mooie 9.

Op dit moment hebben de cijfertjes ons allemaal weer volledig in de ban.
In van die raadselachtige verhaaltjes.
Iedere volwassene heeft 150 – 450 miljard bloedplaatjes per liter bloed. 50 miljard is de absolute ondergrens. Dan hebben we extra bloedplaatjes nodig in de vorm van plasma-transfusie.
Onder de 10 miljard wordt het kritiek. Inwendige bloedingen worden een reëel gevaar, met alle gevolgen van dien.
Middelste heeft op dit moment iedere drie dagen zo’n slordige 5 tot 8 miljard bloedplaatjes per liter bloed.
Dramatisch laag!
En dus hangt er iedere 3-4 dagen een zak bloedplasma aan zijn arm om de boel weer een beetje op peil te krijgen tot een aanvaardbaar level.
Vraag: wat is hiervan de oorzaak?

Ik ben krampachtig op zoek naar de wiskundelogica van de middelbare school, maar iedere keer beland ik weer in de nachtmerrie van de lagere school in de vorm van dit onoplosbare raadsel.

Iemand goed in redactiesommen?
Ik hou me graag aanbevolen voor de oplossing!!

rekenen

Tijgermama

Met zijn vierentwintig jaar is middelste natuurlijk een volwassen man. Een jongeman, maar toch… Het woord volwassen valt niet meer te ontkennen. Hij mag stemmen, heeft zijn rijbewijs en kan een huis kopen als hij dat zou willen.
Eigenlijk niets meer over te zeggen als moeder dus.
En toch bevond ik me een week geleden ineens in een situatie waarbij leeftijd wegviel. Waarbij alle geldende ‘regels’ vervaagden tot niets.
Hij was kind, ik was moeder. Een woedende moeder.
Niet op mijn kind, niet op de situatie waarin hij zich bevindt, nee, ik was furieus op de artsen van een ondergeschikt ziekenhuis, die zich meenden te moeten bemoeien met de manier van zijn voorgestelde behandeling door een Academisch ziekenhuis.
Doodleuk gaven ze middelste, na het bepalen van een wederom veel te lage bloedwaarde, de boodschap: ‘Tja, de bloedplaatjes zijn wel weer heel erg aan de lage kant, maar we geven nu geen transfusie. Het heeft toch allemaal geen zin bij jou. Alles wordt weer afgebroken…’
Het heeft geen zin?
Het heeft GEEN ZIN?
Pardon? Wie bent u om dit te bepalen? Afspraak was: Radboud ziekenhuis is behandelend ziekenhuis, u hoeft alleen maar te prikken om te waarden te bepalen, een berekening te maken van de toe te voegen transfusie, deze te bestellen en vooral toe te dienen!
Het gebeurt me niet vaak, maar áls ik boos word… berg je dan maar! En als het om één van mijn kinderen gaat, dan sta je eigenlijk ten dode opgeschreven. Dan is er geen houden meer aan.
En dus hing ik niet veel later na deze uitspraak aan de telefoon bij het Radboud.
Daar schrokken ze.
Negen is een waarde die acute transfusie vereist. Deze waarde kan leiden tot inwendige bloedingen met alle gevolgen van dien.
En dus ging er een transfusie in de volgende dag en was de uitspraak ‘Het heeft toch geen zin’  veranderd in: ‘Al moeten we je iedere dag een transfusie geven, dan doen we dat’.
En dus gaat alles nog steeds door in de frequentie die is afgesproken met het behandelend ziekenhuis.
Langzaam vervaagt wel de hoop dat het lijf zich zelf zal herstarten of dat een virus de boosdoener is.
Maar we gaan er wel doorheen komen.
Hij en wij.
Voorlopig trek ik me weer even terug in mijn hol, met een wakend oog geopend.
Ze moeten van goede huizen komen om iets met één van kinderen te doen, volwassen of niet.
Grrrr….

tijgerin

Toen geluk nog heel gewoon was…

De laatste tijd dwalen mijn gedachten vaker dan normaal af naar vroeger. Naar de tijd dat het leven nog eenvoudig leek.
Dat er geen gekke dingen waren waar ik me grote zorgen over hoefde te maken. Geen enge ziekten die door het hoofd heen spoken, alleen maar de vraag of we vanavond bloemkool zouden moeten eten met een worst erbij, of dat spaghetti makkelijker zou zijn in verband met de vele sportactiviteiten die nu eenmaal rondom de kinderen gepland moeten worden.
Waren de voetbalshirtjes nu wel of nog niet gewassen? Wanneer was ook alweer de ouderavond? En dat feestje van jongste, zouden we nu wel alle acht de meiden laten slapen bij ons of toch maar naar huis met het hele stel?
Vragen waar ik toen gerust een dag of drie over kon piekeren en die nu zo totaal onbelangrijk lijken.
Na het eten nog een emmer kikkers vangen leek toen niet zo’n goed idee. Nu roep ik: doe maar drie emmers. Of, nog beter, vier emmers! Wat maakt het uit? We zetten ze wel weer terug in de vijver als je weer lang en breed in bed ligt.
Schoongepoetst gezicht, geschaafde knieën, rode wangen van het buitenspelen.
Één en al gezondheid.
Toen, jaren geleden.

Deze dagen betrap ik mezelf er regelmatig op dat ik een intens bleek en smal gezicht onderzoekend opneem. Waren die donkere kringen onder zijn ogen vorige week nu ook al zo zwart of is het écht erger geworden?
‘Hoe voel je je, middelste? Ben je erg moe?’
Ik wil niet overbezorgd klinken, doe ook echt mijn best om vrolijk te zijn. Het lukt me maar half…
Het lange, magere lijf met al die blauwe plekken baart me zoveel zorgen.
Overdag gaat het nog wel, maar in de donkerste uurtjes van de nacht kom ik mezelf weer tegen. Het monster van angst en verdriet besluipt mijn lijf en overvalt me op het moment dat ik misschien het meest kwetsbaar ben.
Dan wil ik niet meer verder met dit moment. De tijd moet stop gezet worden, of nog liever: teruggedraaid!
Naar de tijd van Sesamstraat, natte haartjes op de bank. Verhaaltjes lezen voor het slapen gaan. Mopperen over de drie voetballen die wéér niet opgeruimd zijn, net als de knikkers, voetbalschoenen en tassen die overal in de slaapkamers en gang slingeren. Fietsen kris-kras door de schuur, waardoor ik niet bij mijn eigen fiets kan… Met z’n allen gekke bekken trekken voor de badkamerspiegel. Meer sop in het bad dan water.

Terug naar de tijd dat het leven nog eenvoudig was en geluk heel gewoon.

Was het maar zo simpel.

heimwee

Nachtmerrie

Ik droomde vannacht dat ik aangevallen werd door een slang. Dreigend liet hij af en toe zijn tong sissen terwijl zijn lijf de mijne omarmde. Ik durfde niet te gillen, bang dat ik hem nog bozer zou maken en dat hij zou toeslaan. Tegelijkertijd bekroop me een gevoel van verstikking. Hoe moest ik nu iemand waarschuwen?
Voorzichtig zette ik stapjes in de richting van een ruimte waar ik mijn lief vermoedde. Af en toe keek de slang me met toegeknepen ogen aan en hield ik even stil. Zijn lijf kronkelde verder en verder, over mijn armen, mijn hals. Koude schubben schuurde mijn wangen en langzaam drong het tot me door dat dit weleens het eind kon zijn… Ik ging stikken.
Plotseling viel zijn kop van zijn lijf en lag hij mij vanaf de grond giftig aan te kijken, zijn tong nog steeds boos flitsend in mijn richting. Gillend rukte ik de resten van zijn lange lijf van me af en zette het op een rennen.
Hard en snel.
Toen struikelde ik en voelde het lijf van de slang weer langs mijn benen strijken.
Badend in het zweet en volledig verkrampt schrok ik wakker. De tranen stroomden over mijn wangen. Net op tijd haalde ik de wc en leegde mijn maag. Met trillende handen waste ik mijn gezicht en zocht naar mijn eigen ogen in de spiegel.

En weer kwamen de tranen.

Was het echt pas een week geleden dat ik nog van niets wist? Was het echt pas een week geleden dat al mijn kinderen gezond en wel uit eigen voordeur stapten, onderweg naar werk, vriend of vriendin?
Langzaam begon de film zich opnieuw af te spelen in mijn hoofd.
Middelste, die precies een week geleden aan het eind van de dag belde. ‘Mam, ik lig in het ziekenhuis. Het is niet goed met mijn bloed… Ze denken aan acute leukemie of iets anders engs. Maandag moet ik een beenmergpunctie laten doen in Nijmegen.’

Ergens, een week geleden stond mijn wereld stil.

Twee uur later zaten we naast zijn ziekenhuisbed en keken toe hoe een zak bloedplaatjes zijn lichaam in werd gepompt. Zijn armen en benen meer zwart dan blauw in een strak opgemaakt bed.
Zaterdag mocht hij naar huis, zijn bloed voldoende opgekrikt om het weekend te overbruggen zodat hij maandag zich nog levend en wel kon melden bij het Radboud Ziekenhuis.
Ook daar werden de woorden ‘acute leukemie’, ‘auto-immuunziekte’, ‘onbekend virus’ niet geschuwd, terwijl de tweede zak bloedplaatjes zijn werk weer moest doen voor hem. Tijdens de beenmergpunctie omklemde ik stevig zijn handen, terwijl mijn ogen de zijne niet meer loslieten. Sinds lange tijd droogde ik zijn tranen en maakte sussende geluidjes toen de pijn eventjes te heftig werd. Niet alleen beenmerg, maar ook een stukje bot werd geoogst.
Donderdag uitslag. Donderdag start van behandeling, hoe dan ook…

Donderdag kwam en nadat het bloed weer gecontroleerd was (voor de derde keer een bloedtransfusie…) was het gesprek met de behandelend arts.
Geen acute leukemie! Geen Aplastische Anemie!
Opluchting maakte echter snel plaats voor grote bezorgdheid. Want wat was het dan wel?
De artsen, het medisch team en andere specialisten konden het ons (nog) niet vertellen. Misschien een gek virus (in het beste geval), misschien een andere auto-immuunziekte (in het ergste geval).

‘Behandeling’ bestaat voorlopig even uit twee maal per week bloedprikken, met mogelijk een bloedtransfusie als gevolg. En dan maar hopen dat de eerste optie werkelijkheid wordt en zijn lichaam uiteindelijk de functie van het beenmerg herkent en weer gaat overnemen. Mochten de waarden na twee maanden niet voldoende hersteld zijn dan volgt de tweede beenmergpunctie voor vergelijkend onderzoek. In het ergste geval zakken de bloedwaarden in de komende weken beneden het nu al ‘slecht’ en zitten we eerder met hem in Nijmegen.

Tot zover de (on)zekerheid.

Mag ik alsjeblieft wakker worden uit deze nachtmerrie?
Ik deal wel (in plaats van mijn kind) met een echte gifslang…!

handen2