Maandelijks archief: januari 2017

Beste ‘Peut’

Zo’n twee jaar geleden raapte ik alle moed bij elkaar en sleepte mezelf richting kapper.

Na een aantal dramatische ervaringen met kappers die niet luisterden, gewoon maar wat aanklooiden of doodleuk deden wat zíj wilden in plaats van naar mij te luisteren, had ik de kappersbezoekjes zo goed als afgezworen. Heel, héél af en toe maakte ik in een ‘ik-wil-wat-anders-en-wel-nú-bui’ een afspraak bij weer een nieuwe kapsalon in de hoop dat ik dan mijn ideale kapper zou vinden om er vervolgens na een paar enthousiaste dagen achter te komen dat ik:
a. niet zo goed kon föhnen als degene die me geknipt had,
b. blijkbaar de verkeerde stylingproducten in huis had om geen pluis of kroes te creëren,
c. mijn haren weer gewoon in een staart propte, zodat er van het zogenaamde nieuwe kapsel niets meer te zien was.

Vaker stak ik na een kappersbezoek mijn hoofd thuis weer onder de kraan, om na een droogbeurt te constateren dat er eigenlijk niet zo heel veel veranderd was als vóór het kappersbezoek van die dag. Behalve mijn bankrekening dan, die mistte plotseling enkele tientallen euro’s. Zonder al te veel resultaat dus…

Bovendien vond ik de gesprekken in de kappersstoel vaak stomvervelend. Het kon me niets schelen waar de kapster ter plekke uitging, hoe vaak ze al niet een poging had gedaan om te stoppen met roken (wat niet gelukt was aan haar geur te ruiken) of hoe leuk de nieuwe make-up lijn was die ze sinds kort ook verkochten.

Als ik in een blaadje las over de innige relatie die sommige vrouwen met hun kappers hadden trok ik vaak afgunstig mijn wenkbrauwen omhoog. Of ik lachte de dame in het blad vierkant uit. Ze zat gewoon glashard te liegen, dat kon niet anders! In mijn hele leven (en ik ben echt geen twintig meer) was ik nog geen kapper tegengekomen die luisterde naar wat ik zei!

Tot twee jaar geleden dus.

Ik trof mijn droomkapper. Mijn eigen prins met gouden handen. Iemand die mijn groeiende aantal grijze haren de hemel inprees. Ik besloot voor een metamorfose te gaan. Hij weigert mijn lang lokken af te knippen, ook al vraag ik er in een stoere bui weleens om. Peinzend kijkt hij me dan in de spiegel aan, loopt wat om me heen, schudt vervolgens zijn hoofd en zegt dan resoluut: ‘Nee, dat gaan we niet doen. Lang haar staat mooi bij jou. Je hebt mooi, dik haar dat krult en dat gaan we vooral zo houden.’
Dan kan ik hem wel zoenen! Ik bedoel, een kapper die gewoon weigert te knippen, waar vind je die nog?

Tegenwoordig is het eerste wat hij vraagt: ‘Hoe is het met je middelste?’ om er dan direct achteraan te vragen: ‘En hoe is het nu met jou?’
Tijdens mijn relaas liefkoost hij mijn haren, verwent mijn hoofdhuid met een massage tijdens het wassen terwijl de stoel waar ik op dat moment in lig een zacht masserende beweging over mijn rug maakt.  Bij het afscheid knijpt hij zachtjes in mijn hand. ‘Hou je goed hè, tot volgende keer.’

Ik zweer het je, zolang ik deze kapper blijf komen, heb ik geen therapeut nodig.

kapper

Advertenties

Stabiel slecht

‘Hoe gaat het nu met jullie middelste?’ Ik vind het altijd wat lastig om hier een goed en duidelijk antwoord op te geven. Het is namelijk maar hoe je er naar kijkt.

Eigenlijk gaat het – gezien de omstandigheden – wel redelijk met hem. We spreken elkaar meer, véél meer dan voor zijn ziekte. Dat is fijn. Heel fijn!
Hij lijkt rustiger te zijn geworden, zowel in zijn doen als laten. Leven van dag tot dag, hij kan het als geen ander op dit moment. Ook zijn gezicht is zachter geworden. Geen gehaaste trekken, niet mee opgejaagd.
De bloedplaatjes zijn na een laatste bloedtransfusie in december niet meer onder de 30 gezakt, zijn Hb niet meer onder de 5,3. En ja, hij heeft dus nu al een paar weken geen transfusie meer nodig gehad. Die bewaren ze voor de momenten als de plaatjes onder de 10 zakken, of Hb onder de 5. Daarboven is stabiel genoeg om het zonder te doen. Iedere zak bloed betekent natuurlijk ook materiaal van één tot vijf donoren, met alle gevolgen van dien als je bedenkt dat zijn afweersysteem nu duidelijk stil is gelegd. De bloedwaarden zakken niet meer, dus dat is gewonnen.

Aan de andere kant… als ik uitzoom en het grotere geheel bekijk, die bloedplaatjes, die nu zo mooi rond de 30 blijven hangen zijn natuurlijk bij lange na nog geen 150. Laat staan 450…! En dat Hb gehalte blijft dan wel lekker rondom die 5,3 schommelen, maar vanaf 9 kunnen we pas echt opgelucht adem halen.
Hij slikt ook nog steeds zijn medicatie. Zo’n 13 of 16 pillen per dag. Ik ben de tel een beetje kwijt geraakt… En ja, soms is hij nog steeds behoorlijk ziek van die medicijnen. De ene keer iets meer dan de andere keer. Misselijk, overgeven, diarree, het is een vast onderdeel van zijn dagprogramma geworden. Nu al zo’n acht weken aan een stuk.
En hij is moe. Op oudjaars-avond haalde hij met moeite middernacht. Na de nieuwjaarszoen vertrok hij naar bed. Vierentwintig jaar oud.

En toch, hoe gek het ook klinkt, langzamerhand wordt het een bepaald onderdeel van ons leven. Noem het adaptief vermogen, maar blijkbaar pas je je aan, aan de omstandigheden die je gegeven worden.
Pas als ik aan iemand uitleg wat er met hem aan de hand is en ik grote schrik en angst op het gezicht zie verschijnen, besef ik: middelste is ziek. Ernstig ziek. Hij mag dan op dit moment misschien wel stabiel zijn, maar eigenlijk is het dus stabiel slecht.

Aan de andere kant, dat is nog altijd beter dan gewoon slecht…

alles-komt-goed

Ruw

Met mijn neus tegen het raam aan gedrukt probeer ik een glimp van de binnenzijde op te vangen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en negeer de sieraden die achter het raam liggen uitgestald. Zie ik daar beweging of vergis ik me?
Het is bijna 13.00 uur en ik heb een afspraak met de man die hier zijn atelier heeft.

We gaan samen kijken of we tot een ontwerp kunnen komen voor een ring. Een speciale ring. Een ring die ik van mijn schoonouders mag laten maken ter herinnering aan de bizarre tijd waar we ons met middelste in bevinden.
Met de gedachte: vier de mooie momenten in je leven, herinner je de donkerste, wist ik al snel wat ik wilde. Middelste moet terug naar de start. Letterlijk. Terug naar zijn basis, naar zijn ruwe lichaamsmateriaal. Als ik dit vertaal naar een sieraad dan kom ik al snel bij een ruwe steen uit. Ongeslepen, puur in zijn vorm en materiaal, met de belofte dat als je het op de juiste manier slijpt er iets prachtigs uit gaat komen.

Sieraden met ruwe stenen zijn moeilijk te vinden en dus besloot ik hem te benaderen.
Na mijn klop op de deur zwaait deze open. Ik kijk in de donkere ogen van een man die ik bijna niet anders kan omschrijven als rauw. Puur. Ik zou me erg moeten vergissen als deze man niet van motoren en eenvoud houdt.
We schudden elkaar stevig de hand en ik voel het direct: deze man gaat mijn ring maken! Ik hou van de stoerheid, het no-nonsens gevoel.

Twee uur later schudden we elkaar opnieuw de hand. Hij kent het verhaal. Ons verhaal. En ik weet zeker dat hij dit verhaal in gedachten heeft als hij met mijn ring bezig is.
Vol spanning wacht ik de weken die volgen af.
Dan is er dat verlossende mailtje.
Gwennie, je ring is klaar. Hij is echt prachtig geworden!

Als ik een dag later de ring om mijn vinger schuif en diep in de steen van alles zie glinsteren, rollen de tranen over mijn wangen.
In het atelier blijft het stil. Dan haal ik diep adem. Ik voel de hand van mijn liefste op mijn rug. Mijn ogen vinden die van de edelsmid. Ook daar blinkt iets vochtigs.
Ruw materiaal.
Het brengt veel emoties naar boven. Bij mij, bij mijn lief, bij hem en ik vermoed ook bij middelste.

ring