Categorie archief: Breda

Signalen

Bij het binnenkomen schuifelt hij voor me uit. Zijn rollator dient als steun en boekenkar. In zijn korte broek, overhemd met korte mouwen en de haren in de war valt hij op tussen alle mensen die de regendruppels van hun jas en paraplu afschudden.
Als we allebei binnen zijn loop ik hem voorbij, naar de boekenkast waar de gereserveerde boeken staan te wachten om opgehaald te worden. Ik vis mijn boek van de plank en slenter dan naar de grote tafel waar de aanbevolen boeken van dat moment liggen uitgestald. Mijn lief is op zoek naar een eigen boek en dus heb ik alle tijd om op mijn gemak rond te snuffelen.

Ongemerkt loop ik in de richting van het uitleenplein. Daar is de mogelijkheid om je boeken af te stempelen.
Ik blader wat in een boek dat al eerder mijn aandacht had getrokken, maar wat ik iedere keer weer terug heb gelegd, als ik hem opnieuw zie. Zittend op zijn rollator scant hij zijn boeken en drukt dan op de knop om zijn bon uit te draaien.
Een piepklein papiertje rolt uit het apparaat. Zonder op of om te kijken zegt de man hardop: ‘Is de rol op of zo? Hallo?’

Ik loop naar hem toe en tuur in de printer.
‘Ja, de rol is op ben ik bang,’ zeg ik hem dan.
‘Hmmm, dan moet ik maar onthouden wanneer de boeken weer terug moeten,’ moppert hij een beetje.
Ik grinnik. ‘U kunt het ook opschrijven,’ stel ik voor.
Hoofdschuddend staat hij op. ‘Nee, ik schrijf al genoeg. Ik ben schrijver, weet je. Ik lees niet alleen boeken, ik schrijf ze ook.’ Zijn ogen vinden de mijne en verrast kijk ik in een paar heldere ogen die mij strak aankijken.
‘Voor mijn boeken kom ik hier vaak om dingen uit te zoeken, te ontdekken hoe het precies zit. Het moet natuurlijk wel kloppen wat ik schrijf.’

Hij schuifelt mij voorbij als ik hem antwoord geef. ‘Daar heeft u gelijk in. Het moet wel kloppen wat je schrijft…’
Ik kijk hem na.
Dan draait hij zich om. Met een korte knik naar het boek dat ik op dat moment in mijn handen heb zegt hij plotseling: ‘Moet je ook doen, schrijven. Is leuk hoor! En volgens mij kan jij dat best…’
Verbouwereerd staar ik naar het boek in mijn handen. Als ik nog iets wil zeggen tegen hem is hij echter al verdwenen.

Ik knipper een keer met mijn ogen en vraag me af hoe de man de bibliotheek zo snel heeft kunnen verlaten. Zojuist liep hij niet sneller dan een slak met vertraging. Het boek neem ik mee naar huis. Ik kan er niets aan doen dat ik een beetje van slag ben van deze ontmoeting en dat ik me steeds meer afvraag of dit gesprekje wel heeft plaatsgevonden of dat ik het gedroomd heb…

Advertenties

Payback time

Eind augustus 2016 werd middelste met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Voordat we het in de gaten hadden hing een eerste zak bloed en een tweede zak bloedplaatjes aan een stellage naast zijn bed. Nog volledig onwetend van wat hem te wachten stond keken we toe hoe langzaam maar zeker het donormateriaal z’n weg vond naar zijn aders.
De verwarring maakte na een aantal weken plaats voor berusting. Het was nu eenmaal nodig, wilde hij nog een beetje blijven leven.

Een snelle rekensom leert dat middelste zo’n 45 weken later, met een gemiddelde van twee keer per week en in het ziekenhuis soms dagelijks, toch minimaal 100 bloedzakjes gedoneerd heeft gekregen.
Honderd bloedzakjes.
Soms gewoon bloed, veel vaker één of twee zakken bloedplasma, waarbij in de laatste zak materiaal zit van vijf donoren.
100 x 5 = 500.
Minstens vijfhonderd mensen hebben een gang naar de donorbank gemaakt om middelste door de maanden heen te helpen tot aan zijn stamceltransplantatie.

Ergens in de afgelopen maanden beloofde ik hem en mezelf om dit ooit weer een beetje goed te maken.
Vanavond was het zover. Mijn eerste bloeddonatie is een feit.
Was het toeval dat ik naast een andere moeder kwam te liggen waarvan de dochter twee jaar geleden ook een stamceltransplantatie had ontvangen? Het maakte dat donoruurtje extra bijzonder.

Ik ga bij lange na de vijfhonderd zakjes niet redden, want drie keer per jaar bloed doneren betekent dat ik nog minstens 166 jaar zal moet blijven leven om dit magische getal te kunnen halen. Dat zal me niet gegeven zijn, vermoed ik zo.
Maar ieder zakje is er weer één, dus ga ik zeker door zolang het kan.

Voor middelste.
Voor alle anderen die dit nodig hebben om te mogen overleven.

Gewoon, omdat het zo ontzettend nodig is en omdat het maar een uurtje van mijn tijd in beslag neemt.
Een uurtje voor een leven.
Het is bijna niet te geloven.

   

Beste ‘Peut’

Zo’n twee jaar geleden raapte ik alle moed bij elkaar en sleepte mezelf richting kapper.

Na een aantal dramatische ervaringen met kappers die niet luisterden, gewoon maar wat aanklooiden of doodleuk deden wat zíj wilden in plaats van naar mij te luisteren, had ik de kappersbezoekjes zo goed als afgezworen. Heel, héél af en toe maakte ik in een ‘ik-wil-wat-anders-en-wel-nú-bui’ een afspraak bij weer een nieuwe kapsalon in de hoop dat ik dan mijn ideale kapper zou vinden om er vervolgens na een paar enthousiaste dagen achter te komen dat ik:
a. niet zo goed kon föhnen als degene die me geknipt had,
b. blijkbaar de verkeerde stylingproducten in huis had om geen pluis of kroes te creëren,
c. mijn haren weer gewoon in een staart propte, zodat er van het zogenaamde nieuwe kapsel niets meer te zien was.

Vaker stak ik na een kappersbezoek mijn hoofd thuis weer onder de kraan, om na een droogbeurt te constateren dat er eigenlijk niet zo heel veel veranderd was als vóór het kappersbezoek van die dag. Behalve mijn bankrekening dan, die mistte plotseling enkele tientallen euro’s. Zonder al te veel resultaat dus…

Bovendien vond ik de gesprekken in de kappersstoel vaak stomvervelend. Het kon me niets schelen waar de kapster ter plekke uitging, hoe vaak ze al niet een poging had gedaan om te stoppen met roken (wat niet gelukt was aan haar geur te ruiken) of hoe leuk de nieuwe make-up lijn was die ze sinds kort ook verkochten.

Als ik in een blaadje las over de innige relatie die sommige vrouwen met hun kappers hadden trok ik vaak afgunstig mijn wenkbrauwen omhoog. Of ik lachte de dame in het blad vierkant uit. Ze zat gewoon glashard te liegen, dat kon niet anders! In mijn hele leven (en ik ben echt geen twintig meer) was ik nog geen kapper tegengekomen die luisterde naar wat ik zei!

Tot twee jaar geleden dus.

Ik trof mijn droomkapper. Mijn eigen prins met gouden handen. Iemand die mijn groeiende aantal grijze haren de hemel inprees. Ik besloot voor een metamorfose te gaan. Hij weigert mijn lang lokken af te knippen, ook al vraag ik er in een stoere bui weleens om. Peinzend kijkt hij me dan in de spiegel aan, loopt wat om me heen, schudt vervolgens zijn hoofd en zegt dan resoluut: ‘Nee, dat gaan we niet doen. Lang haar staat mooi bij jou. Je hebt mooi, dik haar dat krult en dat gaan we vooral zo houden.’
Dan kan ik hem wel zoenen! Ik bedoel, een kapper die gewoon weigert te knippen, waar vind je die nog?

Tegenwoordig is het eerste wat hij vraagt: ‘Hoe is het met je middelste?’ om er dan direct achteraan te vragen: ‘En hoe is het nu met jou?’
Tijdens mijn relaas liefkoost hij mijn haren, verwent mijn hoofdhuid met een massage tijdens het wassen terwijl de stoel waar ik op dat moment in lig een zacht masserende beweging over mijn rug maakt.  Bij het afscheid knijpt hij zachtjes in mijn hand. ‘Hou je goed hè, tot volgende keer.’

Ik zweer het je, zolang ik deze kapper blijf komen, heb ik geen therapeut nodig.

kapper

Drie kleuren lang

Op het gebouw aan de overkant hangt de vlag halfstok. Vanaf mijn werkplek kan ik hem zien wapperen. De drie-kleur tegen een onbewolkte, blauwe hemel. Stilletjes in de zon.
Langzaam golft het rood over het wit, wit over het blauw.
Het hypnotiseert, maakt dat ik blijf kijken.
Minutenlang.
Rood voor al het bloed dat vergoten is in tijden van oorlog. Wit voor het verbleken van elke kleur, met de dood als gevolg. Blauw als teken van onzekerheid, het bedrog, het verraad.
Het ontroert me om deze kleuren halfstok te zien hangen. Het herinnert me aan alle leed van de wereld.
Mensen op de vlucht.
Toen, nu.
Geknakt, maar niet verslagen.
Morgen zal de vlag weer fier in de top zwaaien.
Het rood zal weer stralen als teken van liefde. Het wit zal het onbekende, het nieuwe symboliseren en het blauw de bescherming van de hemel. Er zal gedanst en gezongen worden. Zoals het hoort bij een viering van bevrijding.
Maar vandaag is alles nog even stil.
Drie kleuren lang.

bevrijd

Eigen plekje

Ruim vijf jaar geleden vielen we als een blok voor een klein huisje. Een arbeiderswoninkje tussen mega-huizen en mooie boerderijen. In de mooiste straat van ons dorp. Wat ons betreft.
Het voordeel van dit kleine huisje was vooral dat het betaalbaar was, ondanks locatie en straatbeeld. Het nadeel van dit kleine huisje was dat het… ehm… oud was. Oud als in: gebouwd net na de eerste wereldoorlog, nog ruim voor de tweede. En daar vielen wij wel voor.
Het eerste jaar hebben we vooral op de benedenverdieping aangepakt. Dubbel glas leek ons noodzakelijk, net als een redelijke wc. Kookplekje werd ruime woonkeuken door middel van een aanbouw. Huiskamertje met grote open haard werd mooie kamer met houtkachel en openslaande deuren naar de tuin. Garage werd omgebouwd tot bijkeuken en tweede badkamer. Op de eerste verdieping werden de slaapkamers bewoonbaar gemaakt, de 2e badkamer werd voorzien van wit sanitair en dito tegels in plaats van het groen wat er inzat en omdat we toch bezig waren werd de vlizotrap naar de zolder vervangen door een vaste trap.
Daar hield de verbouwing zo’n beetje op. Niet alleen omdat de bodem van de geldpot in zicht kwam, maar ook omdat de energie en zin een beetje klaar was. We hadden bijna een jaar in de stof en het puin gezeten en dat was genoeg. Bovendien gingen er kinderen op kamers en daar moesten ook de nodige middelen naar toe.
Eind vorig jaar besloten we: we pakken het weer op. Er zijn best nog wat slagen te maken in dit huisje.
Zichtbaar en onzichtbaar.
En dus gingen we naar de zolder.
Die was vooral koud. Verwarming was nooit nodig, want een vlizotrap nodigt natuurlijk niet echt uit om op zolder te gaan zitten. Doordat wij er echter een vaste trap in hadden gezet, werd de zolder sneller bereikbaar. Maar de warmte vond de weg ook! Naar zolder… Daar moest iets aan gedaan worden. Iets met milieu en zo…
Dus… het huis werd in de eerste week van dit jaar geïsoleerd. Zowel spouwmuren als dak moesten eraan geloven. Ooit hadden we al twee dakramen laten plaatsen, dat nodigde ook wel uit om verder te gaan richting logeerkamer.
Afgelopen week naderde we het eindpunt van de verbouwing.
En mijn hart kriebelde.
Dit was niet alleen een mooie logeerkamer, dit was de meest ideale schrijfkamer die ik kon verzinnen! Mijn lief had ooit wel plagend gezegd dat het lage raam speciaal voor mij was, zodat ik kon dromen en schrijven tegelijkertijd, maar nu het plekje bijna klaar was, zag ik het zinvolle van zijn plagerijtje in.
En dus richtten we gisteren de zolder in, speciaal voor mij.
Ik heb mijn eigen plekje in dit heerlijke huis! Wat ben ik een geluksvogel!!

zolder1 zolder2

 

 

 

 

 

 

 

 

zolder3

zolder4

Heimwee

Al bij mijn eerste stap over de drempel waan ik me in een totaal andere wereld. Ik knipper een paar keer met mijn ogen, maar de schappen veranderen niet. Ook de toonbank blijft hetzelfde, een houten kast van donker eikenhout. Aan beide zijkanten staat het vol met glazen potten, houten emmers en hoge blikken. Een ouderwetse weegschaal staat prominent in het midden.
Kruidengeuren prikkelen mijn neus, kamille vermengd met laurier. Tea tree, lavendelolie, de geuren vervliegen voordat ik ze goed herken.
In de potten ontdek ik zoethout, stroopsoldaatjes, kaneelbrokken en andere ouderwetse zoetigheden. In grote manden voor de toonbank liggen witten puntzakjes, slordig in elkaar gevouwen. Ik moet moeite doen om in het heden te blijven, maar dat lukt niet helemaal.
Blij met de klant die voor me is, neem ik de winkel verder in me op.
Aan de rechterkant is een tweede toonbank met daarachter schappen die reiken tot aan het plafond. De apothekerspotten staan netjes naast elkaar, allemaal voorzien van hetzelfde etiket. Allemaal een andere beschrijving erop. Ik ben nieuwsgierig, maar ik kan het ook niet nalaten om ondertussen mee te luisteren met het gesprek tussen winkelier en de klant voor me.
Een dame van rond de tachtig schat ik. Ze is op zoek naar Borax. ‘Om schoon te maken,’ verduidelijkt ze. ‘Of moet ik dan zuiveringszout hebben?’ Weifelend kijkt ze naar de grote man voor haar. Deze schudt zijn hoofd. ‘Wat wil je ermee doen?’ vraagt hij. ‘Natuurlijke schoonmaakmiddelen maken,’ verduidelijkt ze.
De man knikt. ‘Dan moet je Bakingsoda hebben,’ zegt hij en hij pakt een grote pot.
Verward kijkt ze hem aan. Hij ziet het en legt uit dat Bakingsoda niets met bakken en koken te maken heeft.
Ze zucht.
‘Ik had het op Pinterest wel gelezen,’ zegt ze dan, ‘maar ik dacht dat ik het verkeerd begreep. Er zijn zoveel leuke dingen op Pinterest te vinden over dit soort dingen,’ vervolgt ze dan enthousiast haar verhaal.
De ogen van de man ontmoeten de mijne en beiden grinniken we wat.
Oud en nieuw ontmoeten elkaar hier met recht.
Als ze vijf minuten later de winkel verlaat ben ik aan de beurt.
Als ook ik klaar ben met afrekenen opent hij een grote pot met enorme salmiakbrokken.
‘Voor onderweg,’ zegt hij. Dan opent hij de winkeldeur voor me. De grote bel boven de deur klingelt. En plotseling sta ik weer in een drukke winkelstraat middenin mijn stad. Het schakelen gaat minder snel dan toen ik de winkel inkwam.
De hele dag blijft een nostalgisch gevoel van heimwee om me heen hangen.
Ach…

ot en sien