Categorie archief: Geen categorie

Fijne kerst!

Er was eens een kaarsje, heel klein van stuk,
hij lag verloren in de hoek van een zwaar en donker meubelstuk.
Niemand vindt mij mooi, niemand vindt mij leuk,
niemand weet dat ik hier lig, niemand kent mijn toverspreuk.
Hij pinkte een traan weg en rolde verder van de anderen weg,
en als de la weer eens openging, dacht hij alleen maar aan zijn eigen pech.
‘Hou toch eens op!’ riepen de andere kaarsen, groot en stevig van formaat,
‘Het gaat niet om de grootte, het gaat enkel om je daad.
Het licht dat jij geeft is alle anderen net zo lief,
dat weten wij zeker, denk toch eens positief!’
Er volgde wat gemurmel en toen ineens met een grote zwaai,
rolden ze de kleine kaars naar voren, in een ommezwaai.
Toen de la weer open ging klonk een blije kreet,
‘Mama! Ik heb een mooie piek gevonden! Nu is de boom toch nog compleet!’
En zo werd op kerstavond het kleine, rode kaarsje de ster van de nacht.
Het scheen zijn licht naar alle andere kaarsen en overzag alle pracht.
Ik wens je heel veel van dit soort kleine kaarsjes toe in het komende jaar,
met iedereen die je lief is, voor jezelf en voor elkaar!

Advertenties

Leven in opleiding

Er zijn van die tijden dat Klaas Vaak mij niet lijkt te vinden. Dan lig ik wakker. Urenlang. Nachten op een rij. Weken lang. Wat zeg ik? Maanden lang!
Zo af en toe fietst er een nacht voorbij waarbij ik plotseling twaalf uur achter elkaar in coma lig. Dan hou ik mezelf voor de gek door glashard te beweren dat het eigenlijk allemaal wel meevalt. Om vervolgens weer de nodige halfbakken nachten te incasseren en als een zombie door het leven te gaan.
‘Het is de leeftijd, joh,’ beweren vriendinnen. ‘Je hebt nu eenmaal minder slaap nodig als je ouder wordt. Bovendien… je bent gewoon in de overgang. Niets aan te doen!’
Vooral die laatste woorden laten mijn haren te bergen rijzen.
Niets aan te doen? Niets aan te dóen? Hoezo, niets aan te doen?
En dus besloot ik dat het roer om moest. Was het niet linksom, dan wel rechts.
En aldus geschiedde.
Tien dagen ben ik onderweg nu. Tien dagen van iedere ochtend 15 minuten yoga met als doel toch weer wat fitter te worden na de ziekenhuis-twee-daagse die meer kruim heeft gekost dan ik wil toegeven.
Tien dagen ook waarbij ik ‘s-avonds met een oortje in mijn bed in kruip en naar een slaapverwekkende stem lig te luisteren die mij (het liefst binnen vijf minuten) de weg naar dromenland moet gaan wijzen. Dat dát niet zo gemakkelijk is als dat het lijkt bleek al snel…

Dag één begint goed. Na mijn ochtendyoga loop ik de hele dag op wolkjes. Het kan aan mij liggen, maar mijn lichaam voelt best nog wel soepel en slank. Vergenoegd bekijk ik mezelf in de spiegel. Misschien dat ik toch negatiever over mezelf denk dan nodig lijkt. ‘s-Avonds vlij ik me op bed en sluit tevreden mijn ogen. De app met de slaapverwekkende stem werkt en brengt me al snel waar ik moet zijn. Klaas-Vaak-land.
Plotseling stoot mijn lief mij aan.
‘Liefje. Liefje!’
Mijn ogen schieten open. Verdwaasd kijk ik hem aan.
‘Wah? Wa’s er aan de hand?’
‘Je iPad ging ineens aan. Wat moet je nu doen?’
Gefrustreerd sla ik mijn hand tegen mijn voorhoofd en verwond mezelf met een half uitgevallen oortje dat nog ergens ter hoogte van mijn wang bungelt.
‘Waaróm?? Waarom maak je me wakker?’ kreun ik. ‘Ik lag zowaar te slapen… Laat me slapen. Alsjeblieft…’
Ik rol me op mijn zij en probeer terug te keren naar waar ik zojuist nog was.
Tevergeefs.
Zelfs de slaapverwekkende stem kan me er niet meer krijgen. Voor deze nacht lijkt deze missie teveel van te goede.
Niet geslaagd dus.

Dag twee gaat de voorwaartse buiging moeizamer dan op dag één. Ook de downward facing dog gaat minder soepeltjes dan de dag ervoor. Die avond laat mijn lief het wel uit zijn hoofd om mij nog een keer te waarschuwen als de iPad aangaat na de twintig minuten lange slaapverwekkende sessie. Wel vraagt hij zich vlak voor mijn slaapsessie hardop van te voren af of hij nu ook schriftelijk moet indienen als er seks gewenst is. Iedere avond een slapende vrouw in bed lijkt hem ook niet alles… Gevolg is dat ik tijdens die meditatie alleen maar aan seks moet denken. Van slapen komt weinig terecht.

Dag drie moet ik niet aan seks denken!
Ik loop krom van de spierpijn en na 20 minuten yogamat kruip ik bijna richting douche. Warmte helpt bij extreme spierpijn. Zeggen ze…
‘s-Avonds in bed kan ik maar aan één ding denken: laat me slapen! Maar net zoals dat gaat met iemand die zegt dat je niet aan een roze olifant moet denken…. nou ja, het valt in te vullen wat er nu gebeurt.
Weer een slechte nacht dus.

Op dag zes lijkt de ergste spierpijn weg. Strammigheid is ervoor in de plaats gekomen. Ik lijk er maar niet uit te komen welke van de twee ik prefereer. Spierpijn of strammigheid? Strammigheid of spierpijn? Zodra ik het weet, hoort u van mij!
Om tien uur zoek ik mijn bed op, prop gefrustreerd mijn oortjes in mijn oren en luister. Halverwege de nacht draai ik me op mijn iPad. Slaapdronken leg ik hem op mijn nachtkastje en val direct weer in een diepe slaap. Pas in de ochtend kom ik erachter dat ik deze keer wel heel goed geslapen heb. Ook de ochtendyoga lukt iets beter met dat uitgeruste lijf.
Op mijn werk voel ik echter de spieren in mijn schouderblad bij iedere typebeweging die ik maak.
Hmmm… Misschien toch te vroeg gejuicht?
Die avond slaap ik weer als een roos! Twee nachten op een rij. Veel gekker moet het niet worden…

Gisteren ging ik bijna spierpijnloos door het leven. Lenig ben ik nog lang niet. Maar wat niet is, kan nog komen.
Hoe was het liedje ook alweer? ‘Two out of three ain’t bad?’ Nou, één van de twee ook niet! Slaap is heilig. Zover ben ik ondertussen wel na een jaar lang slecht tot heel slecht slapen.
Dat lenige lichaam komt vanzelf wel. Volhouden is een kunst, maar dat is er nu net één die ik beheers, dus… kom maar op!

15 minuten yoga

Ouderwets

Ergens in de afgelopen jaren moet ik iets gemist hebben. Móet ik iets over het hoofd gezien hebben wat anderen feilloos opgepikt hebben en ermee aan de slag zijn gegaan. Het begon me denk ik ruim een jaar geleden pas écht op te vallen en op dit moment is het niet meer te missen. En al die tijd heb ik er niets mee gedaan.
Zo’n anderhalf jaar geleden werd me door een groot trainingsbureau in onze stad gevraagd of ik de tekst van hun nieuwe informatiedocumentatie wilde nalezen, redigeren en eventuele verbeteringen wilde doorgeven. Ergens halverwege de tekst raakte ik het spoor bijster. De een na de andere Engelse term vloog voorbij. Voorzichtig vroeg ik voor wie de documentatiemap bedoeld was. Buitenlanders die nog niet helemaal bekend waren met de Nederlandse taal, of…? De map bleek bedoeld voor gewone Nederlanders, zoals jij en ik.
Driftig verbeterde ik woorden als ‘personal touch’ in ‘persoonlijk tintje’, ‘basics’ in ‘grondbeginselen’, ‘feeling hebben voor’ in ‘gevoel hebben voor’ en ‘out of the box denken’ in ‘buiten de geijkte kaders denken’. Het werd een behoorlijke klus, waarbij ik op een gegeven moment maar in de kantlijn heb geschreven: ‘Weten jullie écht geen Nederlandse bewoordingen te vinden die duidelijk maken wat jullie bedoelen? Nederlands heeft minstens zoveel kracht als Engels..’
Vanaf dat moment viel het me meer en meer op dat Nederlanders de Engelse taal steeds meer lijken te omarmen. Integreren in onze taal. En steeds meer wordt het voor mij een sport om juist bij die woorden – hardop of in mijn hoofd – goede Nederlandse vervangers te vinden.
De laatste tijd wordt het echter een onmogelijke taak. Ik lees overal volledig Engelse teksten. Geen woordjes meer, nee, alles wordt in het Engels geschreven. Alsof het dan beter herkenbaar is voor iedereen. En ik snap er niets van.
Wat is er nu mis met onze eigen taal?
Ergens in de afgelopen jaren moet ik iets gemist hebben. Geen idee wát. Maar misschien is het de leeftijd en word ik langzaamaan hopeloos ouderwets.
Ik ben bang dat het te laat is om het tij te keren.
Point of no return.
*zucht*

school

Dorpse gemoedelijkheid

Per toeval belandde we op een braderie. In ons eigen dorp.
Verbaasd keken we elkaar aan.
‘Wist jij dit?’
‘Hmm? Nee, niet echt… maar ja, hoe hadden we het kunnen weten? De ‘Nee-Nee-sticker’ zit natuurlijk niet voor niets bij ons op de brievenbus geplakt.’ Handig voor alle folders die we toch niet lezen, maar soms ook niet erg handig als je ziet wat we allemaal kunnen missen!
Goed, soms is de grootte van een dorp al genoeg om zaken zoals dit toch wel op te merken, dus we liepen plotseling langs kraampjes met ouwe meuk. Op zoek naar een volgend leven in een garage of op een zolder bij een potentiële koper. Of in de kamer, als je van porseleinen beeldjes houdt die zielig huilende zigeunerjongens voorstellen.
Plotseling sprong er een mevrouw voor mijn neus, gewapend met poederkwast en een blikje met een bruin gebronsd blok.
‘Deze poeder geeft uw eigen huidskleur binnen een tel weer glans. Niet te zien dat u poeder draagt, maar u ziet er stralend gezond uit. Ook in de winter.’
Ze moet mijn verschrikte niet opgemerkt hebben, want ze ratelde maar door.
‘Ja, ook couperose wordt hier helemaal mee verdoezeld.’
Met nog een stapje dichterbij stond ze bijna met haar neus tegen de mijne.
‘Mag ik even?’
Voordat ik adem kon halen had ze de kwast al vakkundig over mijn linkerwang heen gehaald.
‘Heel mooi…’ Keurend deed ze een stapje naar achteren en bekeek het resultaat alsof ze Rembrandt was die één van zijn schilderijen in wording aan het taxeren was. Ze knikte eens goedkeurend en greep haar handspiegel die achter haar op de tafel lag.
‘Kijkt u zelf maar. Heel natuurlijk. Ziet u wel? En ook uw couperose is niet meer zichtbaar.’
Nu was ik me van heel die couperose niet bewust en als het er al zou zitten, dan had ik me er in de afgelopen 49 jaar niet aan gestoord in ieder geval. Maar van pure verbijstering knikte ik.
‘Zo, nu de andere wang nog, die vertoont echt veel meer couperose…’
Dit ging me te ver.
Ik hoef niet voor Miss World uitgemaakt te worden, maar een gezicht met couperose?
De vrouw ratelde maar door ondertussen.
‘En vandaag hebben we een leuke aanbieding vanwege de Braderie hier!’ Stralend pakte ze een grote doos waar een groot bruinblok in zat, mét poederkwast en een kleiner formaat poederdoos. ‘Vandaag voor 25 euro en dan krijgt u er van mij een minikwast bij. Handig voor in uw handtas. Ze knikte naar mijn schouder, waar niets aan hing, want ik ben niet zo van de tassen… Ze merkte het niet eens op, zo enthousiast was ze over haar eigen producten.
‘Én… omdat het zo’n mooie dag krijgt u er ook een lippenstift bij. Neemt de kleur van uw lippen aan en zal er niet uitzien als lippenstift! Mag ik even?’
Haar greep naar de lippenstift die op de tafel stond was net zo snel als mijn ‘Nee, dank u!’
Haar hand bleef halverwege de weg naar mijn lippen in de lucht hangen. Verbijsterd keek ze me aan.
‘Nee?’
‘Nee!’ schudde ik gedecideerd mijn hoofd. ‘Ik draag geen lippenstift. Nooit! Dus nu ook niet.’
‘Maar…’ Ze gaf zich duidelijk nog niet zo één-twee-drie gewonnen.
‘Nee,’ schudde ik nogmaals mijn hoofd en herhaalde het woord voor alle zekerheid een keer of drie.
‘En ik hoef ook de aanbieding van u niet. Ik draag eigenlijk ook nooit poeder. Dus… Fijne dag?’
Ik draaide me snel om en versnelde mijn pas. Bang dat ze achter me aan zou komen.
Op de terugweg een klein uurtje later passeerde ik haar kraam, veilig aan de andere kant van de weg.
De mevrouw die op dat moment op de kruk zat (zover had ze mij in ieder geval niet gekregen) keek ongelukkig om zich heen. Zag niemand haar ongemak?
Ik grijnsde haar bemoedigend toe.
Thuis was mijn eerst loopje naar de badkamer. Weg met die bruine troep van mijn wangen.
En ammehoela met die dorpse gemoedelijkheid.
Agressie vindt soms haar weg naar de landelijke.
Het zou verboden moeten worden!

aging

Het vijfde seizoen

Als kind had ik een boekje van Rie Cramer. Over de vier jaargetijden.
Ik herinner me dat boekje nog heel goed omdat ik er ooit eens een versje uit heb moeten leren. Dit versje viel overigens niet in goede aarde bij de juf waarbij ik het moest voordragen. Te kort, te eenvoudig, ik had een voorbeeld moeten nemen aan een ander klasgenootje, die warempel een gedicht voordroeg waarbij iedereen stijl achterover viel. Het was de eerste keer dat ik een boek de hoek van mijn slaapkamer in smeet en er vanaf dat moment een nare smaak van in mijn mond kreeg als ik het toevallig weer een keer onder ogen kreeg. lente zomer herfst winter
Nu was er nóg wel een reden waarom ik twijfelachtige gevoelens had bij dat boekje. Ik miste het vijfde seizoen.
Mijn lievelingsseizoen.
Ook daarin beet de juf mij toe dat een jaar nu eenmaal vier seizoenen heeft en geen vijf, zoals ik ooit voorzichtig suggereerde.
Natuurlijk bedacht ik me tien keer liever dan dat ik tegen de juf inging. Stel je voor dat ze me nog een keer voor gek zette in de klas. Ik was misschien niet de slimste van de klas, maar toch ook zeker niet de domste!
Jaren later – toen ik al lang en breed een gezin had en volwassen was zoals ze dat dan zeggen – viel ik van verbazing bijna van mijn stoel toen tijdens mijn opleiding TCM mijn leraar het de hele tijd over het vijfde seizoen had.
De nazomer.
Het seizoen tussen zomer en herfst.
De tijd waarin de nachten al langer worden, maar de dagen nog voldoende warmte geven om je een zomers gevoel te geven.
De periode van kleur, warmte, oogst en voorzichtig klaar maken voor de herfst.
Kijk, dát was precies het seizoen dat ik bedoelde als kind. De maanden augustus, september, oktober.
Mijn lievelingsmaanden. Mijn lievelingsseizoen.
Vandaag is het 2 augustus.
Mijn lievelingsseizoen is weer begonnen!
Jammer dat Rie Cramer al tijden niet meer onder ons is, anders had ik haar vriendelijk toch dringend verzocht om een een ander boekje.
De vijf seizoenen.
Ik vind het wel wat hebben… 😉

nazomer

Druppeltje

‘Wil je een druppeltje?’ Mijn lief kijkt me schuins aan vanaf zijn kant van de bank.
Ik knik. Kreun een beetje en voel hoe mijn maag zich nog een keertje omdraait.
Druppeltje.
In ons gezin is het een toverwoord. Zo’n woord waarbij wij allemaal precies weten wat er bedoeld wordt. Zo’n woord waarbij buitenstaanders zich nog eens achter de oren krabben en zich afvragen: ‘Druppeltje? Druppeltje? Waar hébben ze het in ’s-hemelsnaam over?!’
Onze kinderen zijn ermee opgegroeid. En toen jaren later mijn lief zijn plek binnen ons gezin innam leerde hij snel het begrip ‘druppeltje’ kennen.
Oudste kreeg zijn eerste tandjes met een druppeltje als ondersteuning. Middelste zag zelfs het eerste daglicht met een druppeltje. Bij jongste was het druppeltje al zo goed ingeburgerd dat ik niet eens meer weet waar ze het niet kreeg als ondersteuning.
Druppeltje heeft zelfs zijn vaste plaats veroverd op onze vakantielijst. Na paspoort, creditcard en verzekeringspapieren komt druppeltje.
Mijn lief, door opleiding en werk behoorlijk gepokt en gemazeld in de overtuiging dat wetenschap heerst over gevoel, moest na een paar maanden toegeven dat het druppeltje toch ook wel behulpzaam kon zijn in situaties waarbij je al het wetenschappelijk aantoonbare al uitgeprobeerd had en waarbij je je – als laatste redmiddel – dan maar moest wenden tot het ongrijpbare. Langzaam maar zeker won het druppeltje ook bij hem terrein. Zo goed zelfs, dat een heel flesje druppeltjes mee mocht op uitzending, in tegenstelling tot de rest van het gezin.
Gisteren was hij dus ook de eerste die vroeg of ik misschien een druppeltje wilde.
Als troost voor mijn maag die plots behoorlijk overstuur leek te zijn.
Met het flesje binnen handbereik, mijn benen opgekruld onder mijn billen en een dekentje tot ver over mijn kin getrokken wachtte ik dus rustig af.
Ook deze keer liet het druppeltje me niet in de steek. Na een klein uurtje zakte het gevoel, kon druppeltje weer terug naar de keuken en haalde ik opgelucht adem.
Druppeltje.
Het toverwoord binnen ons gezin.
Wat is jullie toverwoord?

druppel