Categorie archief: Liefde

Happiness

De laatste dagen voor ‘De Terugkomst’ bekroop me af en toe een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon staven. Een gevoel dat roet in het eten strooide van het blije uitkijken naar datgene waar ik maanden naar verlangde. Een gevoel wat ik al helemaal niet wilde voelen!
Ik drukte het dus weg en bedekte het met een laag beton, alsof het op die manier niet bestond.

Maar het knaagde, prikte af en toe in mijn buik, en steeds weer duwde ik het de diepte in, terwijl ik me met de dag angstiger en verdrietiger ging voelen.
Dit was niet wat ik voor ogen had, dit was helemaal niet de bedoeling!
Ik wilde blij zijn, me verheugen op de terugkeer van mijn lief.
Ik wilde lachen, zingen, dansen en trots zijn op hoe we het de afgelopen maanden allemaal hadden gemanaged.
In plaats daarvan werd ik stiller en voelde me eenzamer dan ooit.

Wat nu als we elkaar niet meer zo leuk vonden als voordat hij wegging? Wat nu als hij me niet meer zo lief vond als al die maanden geleden of ik me zou gaan ergeren aan de ruimte die hij weer zou in gaan nemen in ons huis? In mijn huis, met mijn auto voor de deur en mijn hond die de afgelopen maanden wél bij me was gebleven…
Misschien was het zelfs wel beter als hij gewoon weg zou blijven, als het evenwicht dat ik na maanden balanceren eindelijk had hervonden niet verstoord zou worden. Ik was al zo moe en wist zeker dat ik de energie niet meer had om opnieuw de weegschaal van het samenzijn in balans te krijgen.

Ik schrok van mezelf en het gevoel dat door mijn lijf raasde.
Iedereen in onze omgeving weet hoeveel mijn lief en ik van elkaar houden. Hoe ontzettend gek we op elkaar zijn en hoe weinig we zonder elkaar kunnen.

En dan nu dit gevoel.

Diep van binnen borrelde ook een woede onder alle angst en verdriet. Woede en frustratie om het alleen achtergelaten worden door het werk van mijn lief. Boosheid om het normaal te vinden dat hele gezinnen achterblijven, terwijl de partner in een ver land aan het werk is.

De laatste nacht kwam het niet van slapen. Pieker momenten en tranen wisselden elkaar af, terwijl ik de wekker in de gaten hield om de laatste uren zo snel mogelijk af te kunnen tellen.

Pas thuis, met mijn militair op de bank naast me, zijn hand in de mijne, daalde een groot besef van geluk en liefde terug in mijn lijf. Voor me lag het boek van een van mijn lievelingsfilms voor me, meegenomen door mijn lief voor mij.
Achterin had hij een regel onderstreept.
En plotseling wist ik het weer: wat hou ik veel van jou en wat horen wij bij elkaar!

  

Advertenties

Woestijnleven

Met z’n veertienen zitten we op de hoge rotsen achter ons kamp. We kletsen, lachen, maken foto’s van de omgeving en van elkaar. Zo af en toe kijken we richting de zon. Nooit te lang, want hoewel hij al behoorlijk aan het zakken is blijft hij nog steeds te fel om er goed naar te kijken.
De kamphond is met ons mee naar boven geklommen en rent van de een naar de ander. Blaffend, uitdagend, hij is nog jong.

Plotseling verandert het licht. Wit wordt zilver, de zon lijkt vloeibaar goud.
Zonder iets te zeggen laten we ons één voor één op de rots zakken.
Mijn lief zit naast me. Zijn arm raakt de mijne, onze vingers vlechten zich samen tot één hand.
Het rode zand van de woestijn ademt leven, bergen veranderen in donkere schimmen.
Net voordat de zon echt achter de bergen wegzakt vlamt de hemel nog een laatste keer rood op om daarna in violet en indigo blauw te kleuren.

Ik laat mijn adem sissend ontsnappen en merk ineens dat ik hem al een tijdje heb ingehouden. Met een diepe teug adem ik weer in.
Langzaam staan de anderen op om naar beneden te gaan.
De zon is onder, de Ramadan voor die dag is ten einde.
Ik laat de stilte nog even op me inwerken en loop dan samen met mijn lief naar het kamp terug. Naar de eerste maaltijd van onze gastheren van die dag; de Iftar.

Na de maaltijd lopen we met z’n allen naar buiten. Onze gastheren hebben grote matten op het terras gelegd en niet veel later liggen we met z’n allen op onze rug voor het kamp naar de sterrenhemel staren. Weer valt er een diepe stilte over iedereen heen. Ik kom ogen tekort om alle sterren te zien, ik kom lijf tekort om het allemaal te bevatten. Tranen stromen over mijn wangen. Wat zijn we klein, wat is de wereld een speldenprikje in dat enorme heelal. Wat bijzonder dat we op dat kleine plekje mogen leven. Met elkaar. Bedoeïen, moslim, christen, jood, het maakt hier in de woestijn helemaal niets uit.

We leven en dat is genoeg!

– Foto: Gwennie Benjamins –

Teckel Teun

Bijna acht maanden geleden stond het leven van teckel Teun volledig op z’n kop. Z’n grote broer was te ziek om nog verder te leven. En hoe graag we hem ook heel veel langer bij ons wilden houden, het was vele malen beter voor hem dat we de moeilijkste beslissing maakten die je als baasje mag maken.

De dierenarts kwam op een zonnige woensdagmiddag en al na het eerste prikje om hem rustig te krijgen sloot hij zijn ogen. En zijn hart…
Teun was ontroostbaar. Nachtenlang huilde hij als een kleine wolf. Met hem huilden mijn lief en ik, maar wel samen in de grote bench. Teun lag alleen en kon het niet aan. Zijn leven lang lag hij opgekruld tegen zijn grote broer en nu was het koud en eenzaam op zijn slaapplek.
En dus kreeg meneer een nieuw (klein) mandje en verhuisde ‘s-nachts met ons mee naar de slaapkamer.

Net gewend aan het enig hondje zijn, pakte de grote baas zijn legerkisten in om voor zeven maanden naar het buitenland te verhuizen.
Daar zat hij dan. Opnieuw achtergelaten door iemand waar hij zo veel aan hangt.
Alleen met het vrouwtje, die de baas misschien nog wel erger mist dan hij.

Zeven dagen in de week ligt hij nu ‘s-avonds naast het vrouwtje op de bank. Zeven dagen in de week sleept hij zijn botje van de bank naar zijn mand en weer terug naar de bank om daar aan mijn voeten te gaan liggen knagen. Zeven dagen in de week houdt hij de wacht en blaft iedere duif de tuin uit. Zeven dagen in de week laat hij mij een paar keer per dag uit. Zeven dagen in de week slooft hij zich uit met z’n balletje om mij, zijn vrouwtje, aan het lachen te maken en zeven nachten in de week ligt hij tevreden te ronken in zijn mandje naast mijn bed.

Teckel Teun en ik, we zijn een onafscheidelijk stel geworden.
Het liefst nam ik hem ook gezellig mee naar mijn werk, maar dat is misschien teveel van het goede.

– Foto Gwennie Benjamins –

 

Homesick

Bijna zes weken zijn nu voorbij en alles wat ik me zo had voorgenomen komt eigenlijk niet uit. Ja, ik eet meer stamppot, dat is een feit, maar na zes weken zuurkool, boerenkool en rauwe andijviestamp, begin ik alweer genoeg te krijgen van die eenpansgerechten. Ik mis het gezelschap aan tafel, de gesprekken tijdens het koken en het eten.
Tegenwoordig bestaat mijn gezelschap rond etenstijd voornamelijk uit Netflix en afgelopen weekend besloot ik dat Netflix geen vriend van me is. Ook geen vijand. Wel een soort van holle, lege ruimte waar altijd plaats is voor een eenzame ziel.

Ook het voornemen om eens flink met mijn schrijven aan de slag te gaan lijkt te sneuvelen voordat het überhaupt tot leven is gebracht. Met het vertrek van mijn lief is mijn inspiratie verdwenen, in het niets opgelost. Ik schrijf niet meer dagelijks in mijn Moleskine en ook mijn blog komt er maar bekaaid vanaf. Ik zet me aan de keukentafel en staar naar witte bladzijden of klik doelloos wat sites aan om dan met een klap de deksel van mijn MacBook weer dicht te gooien.

Een paar weken geleden zei mijn moeder tegen mij: ‘Maar jij kan dat wel, alleen zijn…’ Eerst dacht ik: natuurlijk kan ik dat, alleen zijn. Later besefte ik: maar ook als ik het niet zou kunnen, heb ik geen keus. Ik móet wel. Hij is er gewoon bijna zeven maanden niet, het heeft dus niet zoveel zin om daarover na te denken.

En dan zijn er natuurlijk ook nog al die lieve mensen om me heen, waar ik in eerste instantie niet van verwachtte dat ze zo met me mee zouden leven, maar die plotseling als een vangnet om me heen staan. Collega’s worden vrienden, buren net iets meer dan enkel ‘de buurman of buurvrouw’. Sommige vriendinnen blijken echter niets met mijn gemis te hebben en verdwijnen uit het zicht. De kaartjes aan de muur in mijn keuken spreken boekdelen, net als al die uitnodigingen voor een borrel, een lunch, een wandeling en het samen gaan eten van een taartje. Kleine dingen, maar o zo kostbaar. En wat te denken van die ene, nog nooit geziene vriendin, die mij wekelijks een hart onder de riem steekt met haar lieve mailtjes vol vragen, wijsheid en lieve woorden. Ik hoop stiekem dat ze honderd kilo weegt, want ze is haar gewicht meer dan ooit in goud waard!

Ondertussen tel ik af.
Nog 22 weken…

*KLIK*

Skippy-dippy

Kwispelstaartje, blije gup, tokkie-tokkie, Punky, Blonde Dolly, kleine scharrelaar, Skippedip, Polletje piekhaar, snurkiepurkie, warhoofd, altijd ‘verbast’.

Simpelweg wat benamingen die zo gewoon waren om aan te duiden wie we bedoelden hier in huis.

De persoonlijke tandarts van zijn broertje, knuffelkont tot op het laatste moment.
Dertien jaar geleden bij ons in huis gekomen om de boel wat op te vrolijken, het leuker en gezelliger te maken.

En dat is hem gelukt.

Het afgelopen jaar hebben we hem kleiner en brozer zien worden.
Vandaag hebben we afscheid van hem genomen.

Ons kleine vriendje.

Onze eigen Skip.

We zijn zo blij dat je bij ons bent geweest!

Rust zacht lieve Skippy

5 januari 2004 – 11 oktober 2017

Vertrouwen

Drie dagen is middelste nu alweer thuis. Drie dagen waarin wij ineens het vaste ritme van de afgelopen weken moeten loslaten. Geen opstaan, ontbijten, snel een stofzuiger door het huis halen of boodschappen doen om dan in de auto te stappen en naar Nijmegen te vertrekken om vervolgens pas weer tegen het acht-uur-journaal thuis te komen.

Ineens hebben we de hele dag vrij. Is er voldoende ruimte om weer te landen, op adem te komen en de gewone zaken van het leven weer op te pakken.

Ik merk aan mezelf dat ik het lastig vindt. Ik ben onrustig, kan me maar slecht concentreren, vergeet om de haverklap gedachten die ik nodig moet onthouden en stilzitten lukt me al helemaal niet. In drie dagen tijd zijn alle ramen van binnen en buiten gezeemd, is het huis gepoetst van zolder tot kelderkast en als ik dan eindelijk toch even een straaltje zon wil pakken in de tuin zie ik het onkruid dat in de afgelopen weken rustig z’n gang is gegaan. Ik kan er niet tegen en voor ik het weet sta ik weer voorovergebogen om de lange stengels tussen de tegels uit te trekken.

Af en toe maant mijn lief me tot rust, maar ook bij hem zie ik ontwenningsverschijnselen. Hij gaat alleen extreem rustig doen. De hele dag op de bank met een computerspelletje, zich afsluitend van de wereld.

Omdat afbouwen stapje voor stapje gaat, zijn we gisteren toch even langs geweest bij middelste en zijn vriendinnetje. Gewoon, om met eigen ogen te zien hoe het met hem/hen gaat.
De armen die hij om me heen sloeg voelden alweer sterker dan een paar dagen ervoor. Zijn gezicht straalt, hoewel zijn ogen nog erg vaal zijn. En toch geeft het vertrouwen.
Ik zie hoe snel hij moe is van een bezoekje aan een terras voor een lunch. Door zijn ogen bestudeer ik de menukaart en merk dat er nog best veel spullen zijn die hij (nog) niet mag eten. Na een uur brengen we hem en zijn vriendinnetje weer thuis. Met een grauw weggetrokken gezicht neemt hij afscheid van ons. Het liefst zou ik hem mee naar huis willen nemen. Maar ik begrijp ook wel dat dit niet kan.

Vertrouwen krijgen.
Vertrouwen hebben.
Vertrouwen houden.

Ik vind het best nog wel lastig allemaal.