Categorie archief: Mijn lief

Bakkie troost

Ons koffieapparaat is kapot. Of, nou ja, ik moet eigenlijk zeggen: onze Nespressomachine is kapot. Er druppelt wat lichtbruin vocht in onze koffiekopjes, het merendeel verdwijnt echter in de opvangbak aan de achterkant van de machine. Inclusief het overheerlijke crema-laagje dat altijd mijn koffie siert.
Nu is het ook weer niet zo dat ik een echte koffieaddict ben, ik drink eigenlijk veel meer thee. Maar de dag opstarten zonder koffie is toch een beetje… ehm… kaal!

Mijn lief heeft al van alles geprobeerd om de boel enigszins te fiksen, mij angstvallig in de gaten houdend dat ik niet al te chagrijnig wordt op de vroege ochtend.
De Nespresso-mevrouw heeft ons al twee keer ruim 30 minuten aan de telefoon gehad om ons door allerlei programma’s heen te praten, maar het heeft niets geholpen. De koffie verdwijnt in de afvalbak, tegelijk met de volgende (voor niets) gebruikte capsule.

Gisteren (ja, 24/7 bereikbaar, die collega’s van George) was de maat (en de afvalbak) vol. De machine gaat opgehaald worden om nagekeken te worden. Lang leve de garantie! Hoewel nu de volgende uitdaging zich aanmeldt in de vorm van het zoeken naar de rekening plus aankoopbewijs. Maar dat is een ander probleem uiteraard.

Vanmorgen zette ik dus een pot thee en keek met een schuin oog naar de machine. Daar staat ie dan op ons aanrecht mooi te wezen, maar werken? Ho maar!
Met een zucht smeerde ik een beschuit en roosterde mijn boterham, terwijl een gevoel van weemoed mij overviel. Was het echt nog maar een paar weken geleden dat we ons van de berg af lieten rollen om in het stadje aan de voet naar het plein te slenteren? Onze Teun mocht gewoon mee, want Italianen en honden zijn de grootste vrienden zijn we achtergekomen. Overal zijn ze welkom en bakjes met water worden soms aangedragen voordat we onze espresso of cappuccino überhaupt maar konden bestellen. En dan die prijs..! Waar ter wereld haal je nu twee cappuccino plus twee dolci voor nog geen vierenhalve euro?

Met een zucht slofte ik naar de badkamer. Twee slaperige ogen keken me lang aan vanuit de spiegel. Toen was ook ík het zat.
Na een flinke splash koud water over mijn gezicht trok ik snel mijn spijkerbroek aan en schoot in een t-shirt. Op de fiets was ik in tien minuten bij de supermarkt en kocht mijn noodzakelijk kwaad.

Nee, ik ben geen koffieverslaafde, maar ik start de dag wel graag met een flinke dosis cafeïne.
Keteltje op het vuur dus en gaan met die banaan!

– Foto: Pinterest –

Advertenties

Fantastico!

De warmte hangt als een zware deken om ons heen. Vanonder de overdekte bogen op het Piazza proberen we te ontdekken waar we onze lunch gaan gebruiken. De paar tafeltjes die zo links en rechts bij de restaurants in de schaduw staan zijn allemaal bezet.
‘Of wil je misschien binnen zitten?’, vraagt mijn lief.
Tot mijn eigen verrassing knik ik instemmend.
De zomer is heet, de zon brandt genadeloos aan een wolkenloze hemel en voor het eerst snak ik op vakantie naar een spatje regen.
‘Kom, we lopen eens wat straatjes in.’
Mijn lief pakt mijn hand en een seconde later steken we het Piazza over in de richting van een nauw straatje. Daar heeft hij een rode parasol gespot, dus daar zal iets te doen moeten zijn.

Niet veel later stappen we een winkel annex bar binnen. Hier is het mogelijk nog drukker dan op het plein!
Een kelner snelt ons voorbij, hard ‘Scusa! Scusa!’ roepend. Zijn armen houdt hij in de lucht, terwijl op beide handen een bord met eten balanceert.
Lief grijpt mijn hand en trekt me met zich mee. Achter de kelner aan.
Achterin de winkel is een kleine boog en als we daar onderdoor lopen staan we plotseling in een kantine-achtige ruimte. Niet meer dan 30 zitplaatsen, verdeeld over zo’n 10 tafeltjes.
De ober rent naar ons toe en we krijgen een stortvloed van woorden over ons heen gegoten.
Dacht ik de afgelopen dagen nog dat ik me best verstaanbaar kon maken hier, die illusie wordt met één beweging van tafel geveegd door deze man.

Na verschillende pogingen geven we het op. Waarschijnlijk is er gewoon geen plaats.
Als we terug de winkel in lopen, houdt de man achter de toonbank ons tegen. Weer volgt een gesprek, maar nu half in het Engels, half in het Italiaans. We begrijpen: 30 minuutjes wachten en dan is er plaats.

Lief kijkt mij vragend aan en ik antwoord snel: ‘Si, si, è buono!’
Als antwoord ontvangen we een grote lach en tien seconden later staan we met een glas Prosecco in onze handen te wachten in de winkel.

Als we na een kleine dertig minuten aan tafel kunnen, vind ik het bijna jammer om de winkel uit te moeten. Het is me duidelijk geworden dat dit niet een gewone winkel is, maar dat het meer richting traiteur neigt. Al het eten wordt iedere dag vers bereid en we eten louter traditionele gerechten.

Halverwege de maaltijd kijken we elkaar verbijsterd aan.
Wat een lawaai! Wat een gekakel. De een is nog luidruchtiger dan de ander. Dat er tussen mij en een volgend tafeltje een baby gewoon in zijn kinderwagen ligt te slapen mag wel een wonder heten. Zelfs mijn lief, met zijn normaal toch wel luide stem, heeft moeite om boven de gesprekken uit te komen.

Als we de volgende dag weer komen, krijgen we – naast de vriendschappelijke begroeting – niet alleen een Prosecco vooraf, maar ook een Limoncello bij het kopje koffie na de maaltijd. Ik vermoed dat we hard op weg zijn om nieuwe vrienden te maken.

È fantastico!!

– Foto: Gwennie Benjamins –

Happiness

De laatste dagen voor ‘De Terugkomst’ bekroop me af en toe een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon staven. Een gevoel dat roet in het eten strooide van het blije uitkijken naar datgene waar ik maanden naar verlangde. Een gevoel wat ik al helemaal niet wilde voelen!
Ik drukte het dus weg en bedekte het met een laag beton, alsof het op die manier niet bestond.

Maar het knaagde, prikte af en toe in mijn buik, en steeds weer duwde ik het de diepte in, terwijl ik me met de dag angstiger en verdrietiger ging voelen.
Dit was niet wat ik voor ogen had, dit was helemaal niet de bedoeling!
Ik wilde blij zijn, me verheugen op de terugkeer van mijn lief.
Ik wilde lachen, zingen, dansen en trots zijn op hoe we het de afgelopen maanden allemaal hadden gemanaged.
In plaats daarvan werd ik stiller en voelde me eenzamer dan ooit.

Wat nu als we elkaar niet meer zo leuk vonden als voordat hij wegging? Wat nu als hij me niet meer zo lief vond als al die maanden geleden of ik me zou gaan ergeren aan de ruimte die hij weer zou in gaan nemen in ons huis? In mijn huis, met mijn auto voor de deur en mijn hond die de afgelopen maanden wél bij me was gebleven…
Misschien was het zelfs wel beter als hij gewoon weg zou blijven, als het evenwicht dat ik na maanden balanceren eindelijk had hervonden niet verstoord zou worden. Ik was al zo moe en wist zeker dat ik de energie niet meer had om opnieuw de weegschaal van het samenzijn in balans te krijgen.

Ik schrok van mezelf en het gevoel dat door mijn lijf raasde.
Iedereen in onze omgeving weet hoeveel mijn lief en ik van elkaar houden. Hoe ontzettend gek we op elkaar zijn en hoe weinig we zonder elkaar kunnen.

En dan nu dit gevoel.

Diep van binnen borrelde ook een woede onder alle angst en verdriet. Woede en frustratie om het alleen achtergelaten worden door het werk van mijn lief. Boosheid om het normaal te vinden dat hele gezinnen achterblijven, terwijl de partner in een ver land aan het werk is.

De laatste nacht kwam het niet van slapen. Pieker momenten en tranen wisselden elkaar af, terwijl ik de wekker in de gaten hield om de laatste uren zo snel mogelijk af te kunnen tellen.

Pas thuis, met mijn militair op de bank naast me, zijn hand in de mijne, daalde een groot besef van geluk en liefde terug in mijn lijf. Voor me lag het boek van een van mijn lievelingsfilms voor me, meegenomen door mijn lief voor mij.
Achterin had hij een regel onderstreept.
En plotseling wist ik het weer: wat hou ik veel van jou en wat horen wij bij elkaar!

  

Zinnigs

‘Jeetje, komt hij nú alweer bijna thuis? Die tijd is toch echt voorbij gevlogen, is het niet?’
Verbijsterd kijk ik naar degene met wie ik sta te praten. Dit moet toch een grapje zijn? Een soort van vreemde humor om aan te geven dat ze eigenlijk vindt dat het wel heel lang heeft geduurd.

Aan haar ogen zie ik echter dat ze het oprecht meent.
Ik haal diep adem en kijk haar dan recht in de ogen.
‘Voor jou zal de tijd best snel gegaan zijn,’ zeg ik dan. ‘Ik kan je echter verzekeren dat het voor mij echt heel anders heeft gevoeld. Nog steeds voelt eigenlijk…’
Verwarring wisselt zich af met verbazing en dan zie ik plotseling een verbeten trek op haar gezicht komen.
‘Nou ja, dit wist je van te voren, toch? Hier kiezen ze voor. Hier worden ze uiteraard ook gewoon voor betaald. Jullie krijgen toch extra geld in deze tijd?’
Door mijn hoofd schieten zinnen als: ‘Gevarengeld ja’ en ‘Ik heb niet voor zijn beroep gekozen, ik heb voor hem gekozen.’
Ik slik ze allemaal in.
Ik lach wat naar haar en mompel dat ik verder moet. Dat ik het druk heb.
‘Nou, geniet nog maar even van deze laatste dagen alleen, hoor,’ groet ze terug. ‘Wedden dat je straks weer terug snakt naar je tijd alleen? Het geeft natuurlijk ook wel heel veel vrijheid voor je.’

Pas als ik thuis ben laat ik mijn frustratie de vrije loop.
Ik vloek, ik gooi een kussen door de kamer en plof dan op de bank om heel hard te huilen.
Al die weekenden dat ik me alleen heb gevoeld, al die nachten waarin ik het miste dat ik bij het omdraaien de hand van mijn lief kon pakken om zo in slaap te vallen, al die keren waarin ik me tien keer moest bedenken of ik nu wel of niet via FaceTime aan hem moest vertellen dat tijdens zijn afwezigheid een klager van mijn werk mij belaagde met vervelende mailtjes en telefoontjes. De scheldserenades die ik van de man in kwestie moest aanhoren, op een gegeven moment zelfs midden in de nacht. Al die momenten van angst en onzekerheid komen eruit in een huilbui die urenlang duurt.
En dan raap ik mezelf weer bij elkaar. Ik recht mijn schouders, drink een glas water, haal heel diep adem en zeg hardop: mij krijg je niet klein! Stom mormel…
En dan lach ik toch weer een beetje door mijn tranen heen.
Ik denk aan mijn moeder, die vroeger al tegen ons zei: ‘als je nu niets leuks te vertellen hebt, hou dan maar je mond…’

Nog 6 dagen, 2 uur en 10 minuten.
Dan is mijn militair thuis na 6 1/2 maand uitzending.

Ik kan niet wachten!

Bucketlist

Ooit maakte ik een Bucketlist. Zo’n mooie rij met dingen die ik nog graag wilde zien, wilde doen. Om mezelf uit te dagen zette ik de meest gekke dingen erop. Zwemmen met dolfijnen, Yoga op een bergtop doen, het Noorderlicht zien, een vreemde taal leren (anders dan Duits, Engels, Frans of Spaans), heel hard zingen in de regen met iemand van wie ik erg veel hou…
Veel van die zaken heb ik kunnen afstrepen.
De zon zien opkomen in The Grand Canyon? ✅
Met mijn voeten staan in de Atlantische Oceaan en Stille Oceaan ✅
Verhuizen naar een huisje dichtbij de bosrand ✅

Iedere keer als ik iets kon afstrepen maakte mijn hart een sprongetje. Wéér iets gedaan waarin ik uitgedaagd werd door mezelf. Wéér een mooie droom verwezenlijkt.

De afgelopen weken had ik de mogelijkheid om mijn lief op te zoeken tijdens zijn lange periode weg van huis. Hij had verlof en ik vloog naar hem toe.
In een paar dagen tijd streepte ik meerdere zaken af van mijn lijstje.
Drijven in de Dode zee ✅
Slapen in de woestijn ✅
Bij de Bedoeïenen thee drinken ✅
Petra zien en beleven ✅

Net als de andere keren maakte mijn hart een sprongetje als ik weer een streepje mocht zetten door een langgekoesterde wens.

En toch voelde het allemaal wat gek.
Natuurlijk genoot ik van al die bijzondere kansen die we kregen door de uitzending van mijn lief, hoewel ik hem eerlijk gezegd gewoon al die tijd veel liever naast me in Nederland had gehouden. Het missen van iemand kan soms scherp en rauw zijn.
Lang moest ik nadenken over het randje onbehagen in mijn lijf wat ik maar bleef voelen tijdens al die mooie dagen.

Pas tijdens het sterren kijken in de Wadi Rum druppelde bij me binnen wat er schuurde.
Die enorme vrijheid die wij hebben, de mogelijkheid om dit allemaal mee te mogen maken, het kan soms ontzettend overweldigend zijn. Plotseling hoorde ik de dromerige stem van de Palestijnse baas van mijn lief. Het verlangen om weer vrij de grens over te kunnen steken binnen zijn eigen land om met zijn voeten in de zee bij Tel Aviv pootje te kunnen baden of een ijsje te kunnen likken met zijn jonge zoons terwijl ze de zon zouden kunnen zien ondergaan in Jaffa.

Zijn Bucketlist zit anders in elkaar dan die van mij.
En hoe gek mijn wensen op die lijst ook zijn, ze lijken bijna makkelijker te realiseren dan die van hem…

– Foto Gwennie Benjamins –

Woestijnleven

Met z’n veertienen zitten we op de hoge rotsen achter ons kamp. We kletsen, lachen, maken foto’s van de omgeving en van elkaar. Zo af en toe kijken we richting de zon. Nooit te lang, want hoewel hij al behoorlijk aan het zakken is blijft hij nog steeds te fel om er goed naar te kijken.
De kamphond is met ons mee naar boven geklommen en rent van de een naar de ander. Blaffend, uitdagend, hij is nog jong.

Plotseling verandert het licht. Wit wordt zilver, de zon lijkt vloeibaar goud.
Zonder iets te zeggen laten we ons één voor één op de rots zakken.
Mijn lief zit naast me. Zijn arm raakt de mijne, onze vingers vlechten zich samen tot één hand.
Het rode zand van de woestijn ademt leven, bergen veranderen in donkere schimmen.
Net voordat de zon echt achter de bergen wegzakt vlamt de hemel nog een laatste keer rood op om daarna in violet en indigo blauw te kleuren.

Ik laat mijn adem sissend ontsnappen en merk ineens dat ik hem al een tijdje heb ingehouden. Met een diepe teug adem ik weer in.
Langzaam staan de anderen op om naar beneden te gaan.
De zon is onder, de Ramadan voor die dag is ten einde.
Ik laat de stilte nog even op me inwerken en loop dan samen met mijn lief naar het kamp terug. Naar de eerste maaltijd van onze gastheren van die dag; de Iftar.

Na de maaltijd lopen we met z’n allen naar buiten. Onze gastheren hebben grote matten op het terras gelegd en niet veel later liggen we met z’n allen op onze rug voor het kamp naar de sterrenhemel staren. Weer valt er een diepe stilte over iedereen heen. Ik kom ogen tekort om alle sterren te zien, ik kom lijf tekort om het allemaal te bevatten. Tranen stromen over mijn wangen. Wat zijn we klein, wat is de wereld een speldenprikje in dat enorme heelal. Wat bijzonder dat we op dat kleine plekje mogen leven. Met elkaar. Bedoeïen, moslim, christen, jood, het maakt hier in de woestijn helemaal niets uit.

We leven en dat is genoeg!

– Foto: Gwennie Benjamins –

Souk (سوق)

Ik zit op een muurtje en kijk naar de bedrijvigheid om me heen. De kleine, donkere straatjes van de Souk (سوق) in het oude centrum van Jeruzalem bieden maar nauwelijks ruimte om met z’n drieën naast elkaar te lopen. De behendigheid waarmee de mensen in dit gedeelte van de Souk om elkaar heen ‘dansen’ heeft iets grappigs. Het gaat altijd goed en maar zelden botsen de mensen tegen elkaar aan.

Het pleintje waar ik nu zit geeft even wat frisse lucht en ruimte en dus is dit een prima plek om rustig te kijken naar wat er om ons heen gebeurt en waar we naar toen moeten straks.
Het is Sjabbat en we stonden zojuist voor de gesloten poorten van het Joodse gedeelte van de oude stad. Israëlische soldaten stuurden ons met een nors gebaar terug. Mijn vriendelijke lach werd niet beantwoord en geschrokken was ik snel teruggelopen naar daar waar we vandaan kwamen.

Ik moest weer denken aan het pompstation waar we die ochtend onze tank van de auto vol wilden gooien. Van mijn lief had ik al begrepen dat dit bij Joodse tankstations nog weleens stroef kon verlopen, maar dat we maar een aantal liter mochten tanken omdat we niets Joods waren had ik niet verwacht. Het stond zo in schril contrast met mijn ervaringen bij de tankstations in het Palestijnse gebied. Daar werd er een paar dagen ervoor nog op mijn raampje getikt door een man toen mijn lief naar binnen was gelopen om te betalen. Nadat ik mijn raampje had open gedraaid hield de man vragend een koffiekan omhoog met een klein, kartonnen bekertje ernaast. Ik knikte ja, want mijn Arabisch is niet zo ontzettend goed. De man had mijn bekertje vol geschonken met het stroperige, Arabische goedje en was toen vriendelijk lachend terug naar binnen gelopen.

Toen mijn lief met zo’n zelfde bekertje in de auto stapte kon ik het niet laten. ‘Hoeveel moest je hier nu voor betalen?’
‘Niets,’ grijnsde mijn lief. ‘dit is een onderdeel van het tanken bij een Palestijnse pomp. Of eigenlijk onderdeel van het gewone leven. Zodra je ergens moet wachten krijg je koffie. Of thee, net wat er is.’

Zo makkelijk kan vriendelijkheid dus gewoon zijn.

‘Kom, dan lopen we door.’ Mijn lief haalt me weer terug naar het nu en samen slenteren we de Christelijke wijk in van de Souk. Dan komt er plotseling een rij Joodse kinderen, twee aan twee,  de hoek om, begeleidt door een paar oudere mannen. Even ben ik in de war, ik dacht toch echt dat de Joodse wijk gesloten was? Waar komen deze kinderen nu ineens vandaan?
Terwijl ik daar over aan het nadenken ben passeert de rij ons. Vlak voordat de laatste paar jongens bij mij zijn schiet er eentje naast de twee die voor hem lopen en ik kan me vergissen, maar het lijkt erop dat hij zich extra breed maakt. Ik kan niet anders dan met mijn rug tegen de muur staan wachten tot ze voorbij zijn.

Verbijsterd kijk ik ze na. Gebeurde dit nu echt, of…?

Pas als ik een paar dagen later omver wordt gelopen door een groepje Joodse vrouwen besef ik me hoe deze twee werelden naast elkaar moeten leven.
Ik weet niet of ik hier ooit aan kan wennen…

– foto Gwennie Benjamins –

– foto Gwennie Benjamins –