Categorie archief: Teckel Teun

Teckel Teun

Bijna acht maanden geleden stond het leven van teckel Teun volledig op z’n kop. Z’n grote broer was te ziek om nog verder te leven. En hoe graag we hem ook heel veel langer bij ons wilden houden, het was vele malen beter voor hem dat we de moeilijkste beslissing maakten die je als baasje mag maken.

De dierenarts kwam op een zonnige woensdagmiddag en al na het eerste prikje om hem rustig te krijgen sloot hij zijn ogen. En zijn hart…
Teun was ontroostbaar. Nachtenlang huilde hij als een kleine wolf. Met hem huilden mijn lief en ik, maar wel samen in de grote bench. Teun lag alleen en kon het niet aan. Zijn leven lang lag hij opgekruld tegen zijn grote broer en nu was het koud en eenzaam op zijn slaapplek.
En dus kreeg meneer een nieuw (klein) mandje en verhuisde ‘s-nachts met ons mee naar de slaapkamer.

Net gewend aan het enig hondje zijn, pakte de grote baas zijn legerkisten in om voor zeven maanden naar het buitenland te verhuizen.
Daar zat hij dan. Opnieuw achtergelaten door iemand waar hij zo veel aan hangt.
Alleen met het vrouwtje, die de baas misschien nog wel erger mist dan hij.

Zeven dagen in de week ligt hij nu ‘s-avonds naast het vrouwtje op de bank. Zeven dagen in de week sleept hij zijn botje van de bank naar zijn mand en weer terug naar de bank om daar aan mijn voeten te gaan liggen knagen. Zeven dagen in de week houdt hij de wacht en blaft iedere duif de tuin uit. Zeven dagen in de week laat hij mij een paar keer per dag uit. Zeven dagen in de week slooft hij zich uit met z’n balletje om mij, zijn vrouwtje, aan het lachen te maken en zeven nachten in de week ligt hij tevreden te ronken in zijn mandje naast mijn bed.

Teckel Teun en ik, we zijn een onafscheidelijk stel geworden.
Het liefst nam ik hem ook gezellig mee naar mijn werk, maar dat is misschien teveel van het goede.

– Foto Gwennie Benjamins –

 

Advertenties

Bouwvrouw

Iedere ochtend, als ik de gordijnen openschuif, springt onze hond tegen me op. Hij wil opgetild worden. Vanaf die plek heeft hij een geweldig uitzicht over de straat en kan hij alles in de gaten houden. Ik kijk met hem mee, want niets is leuk dan samen de straat in te kijken terwijl het leven van die dag langzaam op gang komt.

De krantenjongen, klaar van zijn ronde, fietst regelmatig voorbij als wij daar zo staan. In de afgelopen weken heeft zijn wollen muts plaats gemaakt voor een pet. Niet recht op zijn hoofd geplaatst, niet achterstevoren, maar altijd wat schuin. Zijn hoofd beweegt mee op, wat ik vermoed, de muziek die hij door zijn oortjes beluisterd.

De buurman van verderop loopt voorbij met hun hond. Aan het uitrekken van de nek van Teun merk ik dat hij eraan komt. Hij ziet het eerder dan ik.

Ik kijk liever naar de werklui die het huis van de overburen in de afgelopen maanden volledig hebben gestript en opnieuw opgebouwd. Mannen met baarden kwamen en werden weken later vervangen door mannen zonder tanden. Of in ieder geval de helft van hun gebit.
Ergens in de laatste weken werd er een nieuw element aan de groep toegevoegd.
Tussen al die grote mannen, met handen als kolenschoppen, loopt sinds een dag of tien een vrouw rond. Ze zegt niet veel, ze pakt haar spullen uit de auto en loopt naar binnen. Voorbij de mannen die haar af en toe toeknikken, maar geen woord met haar wisselen.
Ze rookt niet een sigaretje mee met de bouwmannen, drinkt haar koffie misschien al thuis en gaat aan de slag als ze bij het huis aankomt. Vaak is dat de enige glimp die ik van haar zie. De mannen lopen heen en weer, zij lijkt opgeslokt door het huis.

De afgelopen twee dagen was ik thuis. En toen zag ik haar plotseling wat vaker. Rond koffietijd zat ze buiten, een grote mok in haar ene, een sigaret in haar andere hand. Links van haar zaten een paar mannen te praten met elkaar. Zij bestudeerde een bouwtekening , samen met twee anderen. Met haar pink wees ze iets aan op het blad, terwijl ze haar ogen eventjes dichtkneep om de rook van haar sigaret te ontwijken. De twee mannen knikten instemmend. Een van hen pakte een potlood en maakte een aantekening.
Een laatste slok van haar koffie, de sigaret was ook bijna op.
Toen stond ze op en ving mijn ogen.
Met een grote glimlach knikte ze me toe en ging weer aan het werk.
De bouwvrouw aan de overkant van mijn huis.

– Foto Pinterest –

Baby

‘Hoe vaak per nacht moet jij er nog uitkomen voor die twee van jou?’
Met een zucht leun ik achterover en wrijf door mijn ogen die maar niet wakker willen worden. De collega aan wie ik het gevraagd heb neemt mij van afstand op en begint te grinniken.
‘Geen idee,’ zegt ze dan. ‘Volgens mij ben ik er vannacht in ieder geval één keer uit geweest. Maar soms weet ik eigenlijk niet eens of de kinderen mij nu echt geroepen hebben of dat ik het gedroomd heb. Sterker, soms weet ik niet eens of ik er nu wél of niet uit ben geweest!’
Ik knik. Ik herken het. De automatische piloot waar je als moeder op inschakelt op het moment dat je kinderen krijgt. De nachten verlopen vaak als in een roes als er regelmatig van die gebroken nachten tussen zitten.

Maar die kinderen zijn bij mij al lang en breed de deur uit. Van gebroken nachten hoeft dus al lang geen sprake meer te zijn! En toch sta ik iedere nacht naast mijn bed. Soms drie keer per nacht.

Teckel Teun is voor de tweede keer in een drie maanden van slag.
Eerst in oktober omdat hij afscheid van zijn broer moest nemen en sinds een paar weken loopt hij zijn baas te zoeken, waarvan ik wel weet dat hij hem niet zal vinden.

Ten einde raad stort ik mijn hart uit bij mijn ouders. Dit laat kleine herinneringsbelletjes rinkelen, want zo’n 28 jaar geleden deed ik dit ook regelmatig.
‘Heeft hij het niet gewoon koud?’ vraagt mijn moeder.
Ik begin te lachen. Koud? Een hond die het koud heeft? Het moet niet gekker worden…
‘Nou, hij heeft altijd tegen het warme lijf van Skip aan gelegen, bovendien is hij ook de jongste niet meer,’ vervolgt mijn moeder. ‘Ik kan me best voorstellen dat hij het koud heeft ‘s-nachts. En hij is eenzaam. Natuurlijk wil hij dan bij jou liggen ‘s-nachts.’
‘Maar ik wil geen hond op bed!’ protesteer ik. ‘Mijn bed is míjn bed. Daar sliep vroeger geen kind in en nu zeker geen hond.’
‘Maar als hij het nu echt koud heeft…?’
Mijn moeder ziet mijn twijfel en staat dan op. Niet veel later komt ze met mijn oude kinderslaapzak terug.
‘Hier, neem dit mee en stop hem eens in als je naar bed gaat. Wie weet helpt het.’
Net als vroeger zeg ik niets. Ik pak de slaapzak aan en denk er het mijne van.

‘s-Avonds gaat Teckel Teun op de vierdubbel gevouwen slaapzak, in zijn mandje, onder een wollen dekentje waar ik hem voor alle zekerheid ook maar even goed onderstop.
Ik kijk toe hoe hij zich oprolt en zich vervolgens met een kreun van genot diep onder de deken nestelt.

Die nacht staat er geen bibberende hond staat mijn bed.
Sterker, ik krijg hem de volgende ochtend met moeite uit zijn mand om naar beneden te gaan.

We zijn nu een week verder en Teckel Teun slaapt als een roos, iedere avond opnieuw  als een baby ingebakerd in zijn dekentje. Mijn wallen verdwijnen langzaam.

Moeders raad, altijd fijn!

– foto Gwennie Benjamins –