Tagarchief: Frankrijk

Louis de Funès

Het was vroeg in de ochtend op de 14e juli. Frankrijk werd wakker zonder de wetenschap wat er die avond in Nice zou gaan gebeuren. Mensen groetten elkaar vrolijk op straat, een lange vrije dag in het verschiet. In de straten hingen vlaggetjes in de kleuren van het land. Bij de Mairie wapperde de grote vlag, nog fier hoog in de stok.
Dagen van te voren hadden we het feestprogramma van die dag al bestudeerd. Vuurwerk op 13 juli (niet ongebruikelijk in die kleine dorpen) met avondfestiviteiten bij het meer, op de dag zelf een herdenking op het plein en een receptie voor genodigden bij de burgemeester. Een dorp kan nog zo klein zijn, maar één ding is overal gelijk op die dag: de inspectie van de brandweer door de burgemeester op de feestdag zelf!
En dus wandelden lief en ik op die 14e juli naar het ‘Monument aux morts’ waar de inspectie zou plaatsvinden.
De hele week hadden we een stralende zon gezien, maar juist deze dag had de lucht zich gevuld met zware, grijze bewolking. In de verte rommelde het af en toe en voor de zekerheid hadden we onze regenjassen maar meegenomen.
Bij het monument verzamelden de dorpsbewoners zich. In een rijtje stonden de vijf brandweerauto’s, die het dorp rijk is, opgesteld. Ervoor liepen zenuwachtig 12 brandweerlieden heen en weer. De ouderen rookten nog snel een sigaret, de jongsten kauwden wat kauwgom. Naast de commandant stond een klein mannetje. Strak in pak, het karakteristieke blauwe dopje op zijn hoofd. Naast hem stond een lange gestalte met de Franse driekleur als sjerp om zijn linkerschouder. ‘Dat moet vast de burgemeester zijn,’ knikten we naar elkaar.
Een goede 30 meter verderop stelde de plaatselijke fanfare zich ondertussen op. Nog meer sigaretten en een enkeling met een klein glas wijn.
Klokslag 11.00 uur gaf de burgemeester het sein en in sneltreinvaart nam iedereen zijn of haar plaats in.
Bij de eerste tonen van de fanfare lieten de wolken hun eerste druppels los. Hoe harder de fanfare ging spelen, des te heviger werd de regen. Aan het eind van het muziekstuk besloot de Heer er een klap aan te wagen en iedereen sprong op.
De burgemeester, niet van zijn stuk gebracht, begon zijn toespraak. Zijn Gendarme gebaarde naar de brandweer: neem jullie plaatsen in!
Na zijn toespraak stootte een vrouw de Gendarme aan die verschrikt opsprong. Hij leidde de burgemeester snel naar de rij brandweerlieden. Naam, rang en bijzonderheid werd gemeld. Ondertussen begon de burgemeester er een beetje als een landloper uit te zien. Haren plakten op zijn voorhoofd en de sjerp hing als een vodje over zijn pak. Onverstoorbaar liep hij echter de rij af. Steeds iets sneller, dat hadden we al wel gezien.
Bij de laatste en jongste in rang raakte de Gendarme volledig de kluts kwijt. Hakkelend vroeg hij naar de naam van de jongen.
‘Christian, monsieur,’ fluisterde hij door de microfoon.
‘En als laatste hebben we hier Christian… eh…. Christian!’ De achternaam en rang werd achterwege gelaten.
Snel gaf hij de burgemeester een hand en stapte weer naar achteren.
De burgemeester, ondertussen een verzopen kat, snelde naar zijn plek terug onder de paraplu, zijn Gendarme achter zich aan rennend. Nu moesten de geslaagden van het dorp nog naar voren komen.
De fanfare schuifelde onrustig heen en weer. Ook zij dreven hun pakken uit.
Een voor een werden de kinderen naar voren gehaald. 19 op een rij. Bij de laatste vijf spoorde de burgemeester hen tot een hogere snelheid aan. Kinderen renden naar voren, sprongen over de snel ontstane plassen en deden hun best niet uit te glijden over het grit waar op andere dagen Petanque werd gespeeld.
De fanfare gaf de moed op. Eerst liep de trombonist naar zijn auto en gooide zijn muziekinstrument in de achterbak. Hij zat droog. Niet veel later volgden een paar trompettisten en uiteindelijk rende de gehele fanfare naar hun vervoersmiddel.
Klaar.
De burgemeester riep ondertussen de zo overbekende woorden steeds luider (‘Vite, vite!’) en na de laatste examenkandidaat slaakte iedereen een diepe zucht. Zelden heb ik een plein zo snel leeg zien stromen.
Tien minuten later zat iedereen aan de borrel bij Carlos in het café.
Behalve de burgemeester. Hij moest zich nog door een verzopen receptie heen werken op zijn Mairie. Samen met zijn dappere Gendarme.
Volgens mij heette hij Louis…

Louis

Advertenties

Het goede leven

Sommige dingen zijn zo onlosmakelijk verbonden met een land, dat je niet eens in de gaten hebt hoe uniek het eigenlijk is.
Zo eten wij in Frankrijk gewoon iedere dag voor het ontbijt een croissant, of twee – al dan wel aangevuld met een stuk baguette – ruimschoots besmeerd met verse boter en een dikke laag confiture (niet te verwarren met jam, want daar haalt menig Fransman zijn neus voor op!). Toegegeven, na twee weken begin ik stiekem wel te verlangen naar mijn kommetje muesli en vers fruit, maar zolang we in La Douce France zijn laaf ik me aan dit soort geneugten in de wetenschap dat ik nog een heel jaar gezond bezig kan zijn met mijn dagelijks ontbijt.
Ook de middagmaaltijd is iets waar wij enthousiast aan mee mogen doen!
Het aanschuiven moet tussen 12.00 en 13.00 uur gebeuren en voor een Plat du Jour is er niet veel meer keuze dan: voorgerecht – hoofdgerecht – eventueel een kaasplankje – nagerecht. Altijd vergezeld van een lekker glas wijn en afgesloten met een klein kopje koffie. Het aperitief slaan we meestal maar over, anders komt er van de middag echt helemaal niets meer terecht.
Je vraagt je soms af waar de ingrediënten voor de maaltijd vandaan komen; in de wijde omtrek is – op het platteland, waar wij over het algemeen vertoeven – geen supermarkt te bekennen, laat staan een plaats die groot genoeg is om een groothandel te waarborgen. En dan toch… in negen van de tien gevallen krijg je dingen op je bord die je doen wegsmelten van geluk.
Escargots, knapperig stokbrood, stoofpotjes met van dat vlees waar je alleen maar op hoeft te zuigen, gedrenkt in een overheerlijke saus, gegarneerd met een heerlijke aardappelgratin die in de mooiste laagjes is opgebouwd. Vervolgens komen de meest heerlijke kazen voorbij en wordt er afgesloten met het soort toetjes waar ik in ieder geval wel in begraven wil worden. Chocola zoals chocola moet zijn, een Crème Brûlée die zo romig is dat je de bodem uit je schaaltje aan het schrapen bent als je niet uitkijkt of een frisse ijscoupe met van die verse aardbeitjes die bijna in suiker gedoopt lijken, zo zoet.
Omdat wij toch Nederlanders in Frankrijk blijven, is de grootste verrassing dan altijd toch weer de rekening. Voor de zoveelste keer vraag je je dan toch maar weer af hoe het in ‘s-hemelsnaam mogelijk is om zo copieus met twee personen te eten voor…. € 28,80!
Om bij te komen van deze ervaring wandelen we vaak maar wat rond in een dorp dat niet veel meer te bieden heeft dan een verlaten kerkje, een schooltje, een Mairie en met een beetje geluk nog een ander café waar we op het terras nog maar even uitbuiken onder het genot van een glaasje wijn of rosé.
Niet gek dus dat we elkaar rond de avondmaaltijd aankijken en besluiten: wat yoghurt met vers fruit, eventueel een stukje stokbrood met iets erop, maar daar blijft het bij voor vandaag!
Nou ja, die ene fles wijn dan misschien. Lekker koel in de schaduw, dat mag. En eventueel die lekkere verse olijfjes van de markt van die ochtend met dat kleine stukje paté. Die Canard, van die boer die hem zelf had gemaakt. En dat ene kaasje is wellicht ook wel lekker. Je weet wel, met die blauwschimmel dooraderd. Nou ja, en als je dan toch loopt…

lekker1Lekker2

Deux bises

Vanaf het terras sla ik ze gade. Twee oude dames. Naast elkaar schuifelen ze over de markt. Beiden trekken een mand op wieltjes achter zich aan, beiden dragen een bloemetjesjurk en beiden daaroverheen een vest. Degelijke schoenen aan de voeten, netjes een panty aan de benen. Dat het naar de 30 graden loopt deert ze niets. Zo zijn ze opgevoed.
Het enige verschil is de haardracht. De een kort en krullend, donker geverfd, de ander lang en grijs, opgestoken in een wrong.
Ze lopen van kraam naar kraam. Keuren de kersen (te waterig), snoepen van een stuk meloen dat in partjes gesneden op een bord tussen de stapel ligt en besluiten dan om voor de abrikozen te gaan. Bosui, paddestoelen, aardappelen, het verdwijnt allemaal in de mand die naast hen geparkeerd staat. De groenteman begroet de twee met de traditionele zoenen op de wang. Een gesprek over van alles en niets volgt.
De kippenboer een paar kramen verderop houdt het tweetal in de gaten. Als hij de blik van één van de twee weet te vangen wijst hij met veel gebaren naar een groot pakket. Het grijze hoofd stoot de donkere krullenbol aan. Als twee schoolmeisjes giechelen ze samen, de hoofden iets naar elkaar gebogen.
Dan draaien ze zich om en lopen naar de kaasboer. De man buigt zich over de tafel gevuld met Cantal, Epoisses en allerlei soorten Brie, Camembert en blauwschimmels. Beide dames worden op de wangen gezoend. Nadat de twee hun kazen hebben gekocht, groeten ze de man en steken over naar de schoenenkraam. Geen man deze keer en de zoenen blijven achterwege.
Al snel vervolgen ze hun weg naar de bloemenstal (twee zoenen), de slager (twee zoenen) om dan uiteindelijk toch bij de poelier te belanden.
Met een zucht stapt hij achter zijn kraam vandaan. Enthousiast begroet hij het grijze hoofd (twee zoenen) om zich dan galant over de hand van de donkerharige te buigen. De handkus krijgt een vervolg op de blozende wangen.
Alledrie merken ze de automobilist niet op, die geduldig staat te wachten om door te mogen rijden.
Twee maal twee zoenen én een handkus lang…

bises

Genieten

Met mijn yogamatje onder mijn arm wandel ik de tuin in. De enorme tuin van daar waar we op dit moment een tijdje mogen verblijven. Vogels kwetteren, de ezel en het paard kijken sloom op als ik vlakbij ze mijn matje uitrol. Je ziet ze bijna denken: wat gaat zij nu doen? De ezel is zo dom nog niet en slentert dichterbij.
Nieuwsgierig.
Ik aai zijn neus en draai dan mijn gezicht even naar de zon die voorzichtig haar stralen door het bladerdek van de bomen om me heen laat doordringen. Een zoete geur van amandelen vult mijn neus en ik haal diep adem.
Een klein half uurtje later loop ik terug naar het koetshuis. Tevreden. Dit ging best lekker.
Mijn lief ligt nog in bed de krant te lezen. Ik lijn de hondjes aan en laat ze alle geuren van het landgoed opsnuiven, terwijl we alledrie ons best doen om niet te snel te rennen.
Als ik ze weer terug naar het huisje heb gebracht pak ik wat geld en een tas. Tijd voor de verse croissants voor deze ochtend.
Bij de Boulanger probeer ik het verhaal van de bakkersvrouw te volgen dat ze aan de dame voor me vertelt. Ik denk op te vangen dat het huis van haar zoon nog steeds te koop staat. Moeilijke tijden. Of iets dergelijks. Misschien had ze het ook wel over haar huis schoonmaken, maar dat maakt me eigenlijk niet zo veel uit. Beiden hoef ik niet te doen. Verkopen niet en schoonmaken al helemaal even niet.
Als ik aan de beurt ben bestel ik mijn croissants en baquette. Ik vraag of de jam die in de schappen staat zelfgemaakt is. De vrouw knikt. Haar dochter heeft de jam bereid en de honing is van eigen bijenkorven. Ik besluit van beiden een pot mee te nemen. Abrikozenjam en lente-honing. Klinkt goed, al zeg ik het zelf.
De vrouw van de bakker ziet in mij een volgend slachtoffer en ook aan mij begint ze een heel verhaal op te hangen. Ik laat het over me heen komen en knik (hopelijk) op de juiste moment ja. Af en toe mompel ik ‘Oui, non,’ of ‘Mais, bien sûr…’
Gelukkig klingelt de deurbel op tijd en komt een oud vrouwtje binnen die meer ruimte inneemt dan haar omvang doet vermoeden. Met een tevreden gevoel laat ik de twee aan elkaar over. Bij de deur roep ik nog een ‘Bon journée!’, maar de twee hebben het te druk met elkaar om mij nog op te merken.
Neuriënd wandel ik weer terug naar mijn lief en de hondjes.
Bij het huisje geurt de koffie me al tegemoet en een glas verse jus d’orange staat klaar. Vers gekakelde eitjes liggen in een mandje op de buitentafel. De eigenaresse van het landgoed zwaait van de overkant van het grasveld en gebaart naar het mandje. Pas gelegd begrijp ik.
Langzaam trekken mijn mondhoeken in de verste stand van genieten.
Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat het lachen me hier serieus niet vergaat.

Lormes1

52 boeken: #4 en #5 over verhuizen naar Frankrijk

Ik las in de afgelopen week ook nog ‘even’ twee boeken uit. De eerste met heel veel plezier, de ander omdat ik nu eenmaal dit boek op mijn lijstje had gezet. Laten we met de laatste beginnen (en heel snel eindigen).

#29: Een boek dat zich in Frankrijk afspeelt: Met de Franse slag, van Julia Stagg
Het klonk leuk, een beetje tegendraads. Ik bedoel, de Franse slag. Ik kan er me van alles bij voorstellen! Op de achterkant van het boek werd me bovendien beloofd dat het zou lijken op de boeken van Joanne Harris: Chocolat, De zoetheid van perziken en Rode schoenen. Daar heb ik van gesmuld (echt, soms letterlijk! Alleen al de beschrijving van de chocolade in haar boeken maakt bijna dat je het ruikt en proeft!).
Eenmaal begonnen met lezen leek het boek me maar niet te grijpen. Iedere keer dwaalden mijn gedachten af en soms vroeg ik me af: wie is dít nu ook alweer? Dan bladerde ik weer terug en las kleine stukjes opnieuw. En als ik het boek weglegde, vergat ik het ook weer. Wist ik niet meer zo goed waar het over ging. Ja, over een Engels echtpaar dat naar Frankrijk verhuisd was. Een dwarse burgemeester en een vrouw die stiekem solliciteert naar een baan bij het Engelse stel. De Franse gewoonten zouden grappig beschreven moeten zijn, maar ik kon er eerlijk gezegd niet echt om lachen. Dat kan ook aan mij liggen natuurlijk! Het leest wel makkelijk, maar om nu te zeggen dat ik het vervolg ook ga lenen bij de bieb… Nee. Ik was wel blij dat ik het terug kon brengen vandaag!

Om toch van het lezen te blijven genieten las ik tussendoor een ander boek uit, met véél meer plezier!
#34: Een kookboek : Rue Tatin – wonen en koken in Normandië – van Susan Herrmann Loomis
‘Een kookboek lezen? Kan je een kookboek lezen dan?’ Een vriendin moest hard lachen toen ik zei dat op mijn lijst ook een kookboek vermeld stond. Maar ja, er zijn best wel wat kookboeken annex romans die niet alleen leuk zijn om te lezen, maar tevens heerlijke recepten bevatten. Rue Tatin is zo’n boek!
Susan – een Amerikaanse chefkok – vertrekt naar Frankrijk om de finesse van het koken te leren in de hoofdstad Parijs. Niet alleen leert ze in de loop van de tijd haar (later) beste vriendin kennen, ook haar toekomstige man ontmoet ze in Frankrijk. Hier zijn de Franse gewoonten beschreven op een manier waarbij je gniffelt: ‘O ja, dat doen ze, die Fransen… hihihi…’
Als ze uiteindelijk een huis in Normandië kopen, worden ze niet alleen verrast door bureaucratische regeltjes, maar weten ze zich in de loop van de tijd een eigen plaats toe te eigenen in een charmant dorp, vlakbij de vriendin van Susan.
De recepten die door het verhaal verweven zijn, zijn niet alleen watertandend, maar ook vrij simpel te maken. Favoriet bij ons: Gâteau Breton aux noix (Bretonse koek met walnoten) op blz. 171, Clafoutis aux poires et au miel (Clafoutis van peren en honing) en natuurlijk de Tarte Tatin van blz. 267!
Een aanrader van een kookboek! 🙂

tweeboeken

Du temps

Het duurde even. Een heel weekend, drie volle dagen. Voordat het goed tot me doordrong wat er nu precies gebeurd was.
Zo’n vierhonderd kilometer bij me vandaan.
Vierhonderd-en-vier kilometer om precies te zijn.
Vierhonderd-en-vier kilometer die wij ik weet niet hoe vaak al gereden hebben. Om naar onze stad te gaan. Zodat we konden genieten van de stad, de vele terrasjes, de parken, de mensen, de straten. Om te slenteren door de wijken, te flaneren over de boulevards. Parfum ruiken in Le Printemps, de adem stilletjes inhoudend als we voorbij één van de vele clochards lopen.
Kilometers die we maar wát graag overbrugden om boterzachte croissants te eten bij de Boulangerie op de hoek tegenover ons favoriete café. Petanque kijken in Jardin du Luxembourg. Urenlang. Stokbroodje bij de hand met een heerlijk stuk kaas, wat druiven en een goede fles wijn.
Op de achtergrond de straatgeluiden die zo kenmerkend zijn voor deze stad. Verkeer, mensen, de eeuwige sirenes van de Pompiers de Paris.
Stad van de liefde, stad van onze liefde.
Een stad die ik misschien wel beter ken dan menig ander in ons eigen land.
Machteloos moet ik op televisie aanschouwen hoe mensen koelbloedig vermoord worden in een theater waar wij een jaar geleden nog schuin aan de overzijde twee nachten hebben doorgebracht.
Ik kan er maar niet bij.
De overbekende sirenes snerken door de woonkamer in mijn Nederlandse huis. Ik wil ze niet horen. Ik wil mijn oren bedekken met mijn handen. Mijn ogen sluiten om het niet te hoeven zien. Maar ik weet ook: het drama dat bezig is en ik kan het niet tot stoppen dwingen.
Weer zie ik de straat waar we tientallen keren hebben gelopen. Onderweg naar ons bed, onderweg naar de stad, onderweg naar… ons Parijs.
Mijn hart huilt.
Zullen we ooit weer onbezorgd door de straten wandelen? Naast de echte Parijzenaars?
De tijd moet het gaan leren.
Tijd heelt alle wonden.
Zeggen ze.
Le temps guérit toutes les blessures…
Je l’espère!

paris

Santé!

‘We moeten even een Brasserie of een Café opzoeken.’
Mijn lief knikt met zijn hoofd in de richting van het autoklokje.
12.39 uur. Tijd voor de lunch. En snel, anders zijn we weer te laat!
Mijn gedachten glijden terug naar een half jaar geleden. Het zal rond de klok van twee geweest zijn en na een lange autorit en laat ontbijt begonnen onze magen enigszins te knorren. Voordat we echter auto geparkeerd en een restaurant gevonden hadden liep het tegen half drie.
Aan de late kant inderdaad, maar volgens de Nederlandse normen nog altijd op tijd.
Eten kan immers de gehele dag door in onze 24-7 cultuur.
De Fransen keken ons echter verbaasd en misschien wel verstoord aan.
Nee, lunchen kon echt niet meer. Wat dachten we wel niet? Om half drie was een normaal werkend Fransman al weer een tijdje aan het werk en waarom zou de keuken dan nog open zijn? Koffie was geen probleem, een glas wijn ook niet, maar zelfs het maken van een eenvoudige Croq Monsieur was teveel van het goede.
Gisteren vergisten we ons bijna.
Op de valreep, tien minuten voor half twee, rolden we een café binnen voor een late lunch. We waren duidelijk de laatsten voor die dag. Andere stelletjes roerden hun suiker door de koffie en een gezin legde de laatste hand aan de ijsco’s die voor de neuzen van de kinderen stond.
Geen plat du jour, besloten we dus maar. Een hoofdgerecht met misschien nog een toetje, anders gewoon koffie. Als er maar iets gegeten kon worden, dat was het belangrijkste.
‘Voulez-vous boire un apéritif?’ Het meisje keek ons vragend aan.
‘Ehm, un verre de vin rouge, s’il vous plaît.’ Mijn lief knikte instemmend. ‘Moi aussi,’ zei hij.
Vinnig haalde ze de lege glazen van de tafel en liep naar de bar. Koud tien seconden later stonden er twee glazen voor onze neus. De gemorste druppels op het voetje.
Voorzichtig veegde ik de rode druppels weg. Vragend keken we elkaar aan en haalden toen onze schouders op.
‘Santé!’ We proostten en namen een slok.
Heerlijk, dit Franse leven waarbij de lunch uitgebreid genuttigd wordt met een lekker glas wijn erbij.
Toch zat me iets niet helemaal lekker.
Waarom zou ze zo snibbig reageren op ons antwoord dat we graag een glas wijn wilden drinken als aperitief?
De vraag bleef hangen en de dag verstreek.
Vandaag waren we mooi op tijd vonden we zelf.
Nog voor één uur zaten we in het restaurant en bestelden we een formule.
Voorgerecht, hoofdgerecht , kaas en café gourmet als dessert. Dit alles voor € 13,50 per persoon. Een gemiddelde Hollander wordt van minder nog blij.
‘Avez vous un apéritif?’ De vrouw keek ons vragend aan.
‘Un verre de vin rouge, c’est possible?’ vroeg ik dus voorzichtig.
Met een zucht duwde ze een kaartje dat in de houder op onze tafel stond in mijn richting en knikte.
‘Voilá.’ Een lijst met wijnen stond netjes beschreven.
Ze draaide zich om en griste de glazen van de tafel mee.
‘We doen iets echt niet goed,’ zei ik en keek mijn lief aan. ‘Geen idee wát, maar dat het niet goed is, is zeker.’
Samen bestudeerden we de kaart en maakten een keuze.
Na de maaltijd besloot ik dat het genoeg was. Nadat ik om de rekening had gevraagd stelde ik de vraag die me al dagen bezig hield.
‘Pardon madame, maar wat is het nu precies het verschil tussen een aperitief en een glas wijn?’
De vrouw veegde haar handen af aan haar schort en een lach brak door.
‘Ah,’ knikte ze. ‘Een aperitief is zoiets als een glas Pernod, of Whisky, Cognac, Martine. Begrijpt u? Wijn drink je gewoon bij je eten.’
Lief en ik knikten begrijpend. Ik keek naar de lege flessen op de andere tafels.
Het raadsel ontrafeld.
Fransen drinken niet alleen wijn tijdens hun lunch, ze nemen dus ook een aperitief.
En daarna weer vrolijk aan de arbeid.
Tijd om naar La douce France te verhuizen, lijkt mij!
Hoewel… ik weet niet of er dan nog veel werk uit mijn handen zal gaan komen.
Maar ik kan het mis hebben natuurlijk…

picknick