Tagarchief: Joods

Souk (سوق)

Ik zit op een muurtje en kijk naar de bedrijvigheid om me heen. De kleine, donkere straatjes van de Souk (سوق) in het oude centrum van Jeruzalem bieden maar nauwelijks ruimte om met z’n drieën naast elkaar te lopen. De behendigheid waarmee de mensen in dit gedeelte van de Souk om elkaar heen ‘dansen’ heeft iets grappigs. Het gaat altijd goed en maar zelden botsen de mensen tegen elkaar aan.

Het pleintje waar ik nu zit geeft even wat frisse lucht en ruimte en dus is dit een prima plek om rustig te kijken naar wat er om ons heen gebeurt en waar we naar toen moeten straks.
Het is Sjabbat en we stonden zojuist voor de gesloten poorten van het Joodse gedeelte van de oude stad. Israëlische soldaten stuurden ons met een nors gebaar terug. Mijn vriendelijke lach werd niet beantwoord en geschrokken was ik snel teruggelopen naar daar waar we vandaan kwamen.

Ik moest weer denken aan het pompstation waar we die ochtend onze tank van de auto vol wilden gooien. Van mijn lief had ik al begrepen dat dit bij Joodse tankstations nog weleens stroef kon verlopen, maar dat we maar een aantal liter mochten tanken omdat we niets Joods waren had ik niet verwacht. Het stond zo in schril contrast met mijn ervaringen bij de tankstations in het Palestijnse gebied. Daar werd er een paar dagen ervoor nog op mijn raampje getikt door een man toen mijn lief naar binnen was gelopen om te betalen. Nadat ik mijn raampje had open gedraaid hield de man vragend een koffiekan omhoog met een klein, kartonnen bekertje ernaast. Ik knikte ja, want mijn Arabisch is niet zo ontzettend goed. De man had mijn bekertje vol geschonken met het stroperige, Arabische goedje en was toen vriendelijk lachend terug naar binnen gelopen.

Toen mijn lief met zo’n zelfde bekertje in de auto stapte kon ik het niet laten. ‘Hoeveel moest je hier nu voor betalen?’
‘Niets,’ grijnsde mijn lief. ‘dit is een onderdeel van het tanken bij een Palestijnse pomp. Of eigenlijk onderdeel van het gewone leven. Zodra je ergens moet wachten krijg je koffie. Of thee, net wat er is.’

Zo makkelijk kan vriendelijkheid dus gewoon zijn.

‘Kom, dan lopen we door.’ Mijn lief haalt me weer terug naar het nu en samen slenteren we de Christelijke wijk in van de Souk. Dan komt er plotseling een rij Joodse kinderen, twee aan twee,  de hoek om, begeleidt door een paar oudere mannen. Even ben ik in de war, ik dacht toch echt dat de Joodse wijk gesloten was? Waar komen deze kinderen nu ineens vandaan?
Terwijl ik daar over aan het nadenken ben passeert de rij ons. Vlak voordat de laatste paar jongens bij mij zijn schiet er eentje naast de twee die voor hem lopen en ik kan me vergissen, maar het lijkt erop dat hij zich extra breed maakt. Ik kan niet anders dan met mijn rug tegen de muur staan wachten tot ze voorbij zijn.

Verbijsterd kijk ik ze na. Gebeurde dit nu echt, of…?

Pas als ik een paar dagen later omver wordt gelopen door een groepje Joodse vrouwen besef ik me hoe deze twee werelden naast elkaar moeten leven.
Ik weet niet of ik hier ooit aan kan wennen…

– foto Gwennie Benjamins –

– foto Gwennie Benjamins –

Advertenties

Twee werelden

Het is druk op het terras waar we plaatsnemen om iets te eten. Mijn lief heeft mij beloofd dat we Shakshuka gaan eten, een gerecht dat ik thuis ook veel maak en dat wij gekscherend ‘een potje troostvoer’ noemen. Het herinnert hem aan thuis en we hadden niet kunnen bedenken dat onze benaming uiteindelijk zoveel werkelijkheid zou gaan bevatten voor één van ons, want troostvoer is het op dit moment echt geworden voor hem.

– foto Gwennie Benjamins –

Terwijl we van de zoete muntthee nippen en wachten op onze pannetjes kijk ik op mijn gemak rond. Arabische muziek schalt uit de speakers en in de deuropening staat een oude baas, met zijn gebedscap nog op zijn hoofd, mee te deinen op het ritme. Zijn armen gaan de lucht in en hij probeert een voorbijganger mee te krijgen in
zijn dans. Zijn zoons en kleinzoons bedienen ondertussen de gasten en raken hem af en toe liefkozend aan.

Het is me sowieso al opgevallen dat de Moslimmannen erg sociaal zijn met elkaar. Openlijk omhelzen en kussen ze elkaar en je ziet dat ze oprecht blij zijn om elkaar weer te ontmoeten. Voor een buitenstaander is het moeilijk te zien of de mannen elkaar lang niet gezien hebben of dat ze elkaar dagelijks tegenkomen. Hun ogen stralen als ze elkaar weer zien en regelmatig zie je twee mannen gearmd of hand in hand over straat lopen.

Als we van ons pannetje Shakshuka zitten te genieten zie ik plotseling dat er een jongeman met een keppeltje op het terras oploopt. Nieuwsgierig volg ik zijn gang, want het is overduidelijk dat we op een terras zitten dat door Moslimmannen wordt gerund en dat er voornamelijk Moslims aan de tafeltjes zitten, op een enkele toerist na.
De Tsietsiet zijn duidelijk zichtbaar, hangend onder zijn hemd.
Ik voel dat ik mijn adem inhoud, want als iets me duidelijk is geworden in de afgelopen dagen, is het wel dat Israëliërs en Moslims elkaar maar moeilijk verdragen. Ik hoop maar dat dit goed gaat. Ik merk dat mijn lief ook langzamer is gaan eten en de Joodse jongeman met zijn ogen volgt. Vanuit het restaurant horen we een harde schreeuw en één van de kleinzoons rent naar buiten. Weer roept hij en dan staan ze tegenover elkaar: de jonge Joodse man en zijn tegenpool in dit land, de jonge Moslim.
Uitgelaten slaan ze de armen om elkaar heen en omhelzen elkaar. De kleinzoon plant een kus op het voorhoofd van de Moslim jongen, deze woelt op zijn beurt door de krullen van de kleinzoon, dan laten ze elkaar snel weer los. Grijnzend van oor tot oor kijken ze elkaar aan. Samen lopen ze naar binnen, uit het zicht van het publiek.

Ik laat voorzichtig mijn ingehouden adem weer los en zeg tegen mijn lief: ‘Dat was een bijzonder moment…’ Ik merk dat ik even wat tranen moet wegslikken en prevel in mezelf: laat deze twee volkeren elkaar zo snel mogelijk omhelzen zoals deze twee jongens zojuist hebben gedaan. Alsjeblieft…

Maar ik ben bang dat we daar nog even op wachten moeten…

– foto internet –