Tagarchief: Oostenrijk

Blauwe plekken

Bij de laatste drie stappen ging het fout. Net op het moment dat ik dacht: zo, de gletsjer ligt achter mij, schoof ik onderuit. Zo verraderlijk kan het ongeziene zijn dus.
Ik had natuurlijk beter moeten weten. Ieder kind leert op school al dat gletsjers niet wit en glad zijn of duidelijk zichtbaar met een begin en een eind en zijkanten die voor iedereen goed waarneembaar zijn. Een gletsjer heeft door zijn beweging veel zand, gruis en stenen tussen en op het ijs zitten. Eigenlijk is het een soort van kameleon in de bergen.

Goed.

Ik ging dus onderuit en schaafde met mijn arm over een grote rots om vervolgens met mijn elleboog te blijven hangen tussen twee rotsblokken in. Het gevolg: een enorme schaafplek over mijn onderarm en mijn elleboog flink kapot. Bloed stroomde in de richting van mijn pols. Met een stuk toiletpapier uit de rugzak (altijd voorbereid zijn in de bergen! šŸ™„) veegde mijn lief het schoon, toen pakten we de wandelstokken weer op en liepen door.

Niet veel later bereikten we de berghut. Vanaf het buitenterras bekeken we de gletsjer die we zojuist overgestoken waren. Stil en sierlijk lag hij als een krul over het dal. Gefascineerd staarde ik naar zijn contouren. Dat zoiets moois zo verraderlijk kan zijn. Levensbedreigend zelfs.

Plotseling overviel me het gevoel dat de hele vakantie al als een schaduw om me heen hing.
Flitsen van mijn gezonde middelste, jaren geleden, schoten door mijn hoofd afgewisseld met beelden van zijn chemo-lijf. Breed lachend met vrienden versus kotsend in zijn ziekenhuisbed, zijn hoofd kaal, zijn ogen diep weg gezonken in zijn gezicht. Het leven vierend, het leven hatend.
Een traan rolde over mijn wangen en mijn linkerhand betaste mijn gewonde rechterarm. Toen we een uur later weer de stilte van de bergen opzochten en opgeslokt werden door de grootsheid van de natuur liet ik mijn tranen pas echt de vrije loop. Snikkend zakte ik door mijn knieƫn en huilde totdat ik niet meer kon. Mijn lief stilletjes naast me.
Na een half uur krabbelde ik weer op. Mijn ogen en neus waren rood, mijn gezicht gezwollen, net als mijn rechterarm die kloppend aangaf dat er toch wel een dikke blauwe plek aan zat te komen.

Toch voelde ik me ineens tien kilo lichter.
Ik besefte dat het leven nu eenmaal niet glad, smetteloos en ‘smooth’ in elkaar zat. Net als bij een gletsjer zijn er stukken die je niet ziet, herkent, maar die wel aanwezig zijn waar je soms (schaaf)wonden en blauwe plekken van kan krijgen.
Maar deze plekken kunnen genezen. Als je maar de tijd neemt. En niet altijd flink bent en je tranen binnenhoudt.
Leven doet soms gewoon pijn.

Tja.

Ā© Gwennie Benjamins

Advertenties

Zen

‘Mogen we misschien even van de telefoon gebruik maken?’ Ik kijk onze gastvrouw vragend aan en negeer haar verraste gezicht. ‘Om even naar huis te bellen. Dat we goed zijn aangekomen,’ verduidelijk ik haar.
Ze knikt, kijkt ons dan nog een keer goed aan. We zien er inderdaad niet echt uit alsof we van een andere planeet komen, of uit een streek waar mobiele telefonie haar intrede nog niet gedaan heeft. ‘Hebben jullie een handy?’ vraagt ze dan toch maar.
We knikken bevestigend.
‘Jawel,’ zeg ik dan, ‘maar die hebben we thuis gelaten. Net als onze iPads en MacBooks. We willen echt vakantie hebben en niet iedere keer met ons werk geconfronteerd worden of andere sociale media. Uitrusten, niets doen, lezen, wandelen, daar zijn we hier voor.’
De glimlach die halverwege mijn uitleg op het gezicht van de vrouw verschijnt breekt door tot een brede lach.
‘Wat een goed idee!’ roept ze uit. ‘Ik ga mijn vaste telefoon halen, dan kunnen jullie de kinderen bellen.’
Een half uur later zijn we geĆÆnstalleerd in onze FeriĆ«nwohnung en is het thuisfront ingelicht dat we goed zijn aangekomen.
Het grote avontuur van niet-bereikbaar-zijn en niet-online-zijn kan beginnen.
De eerste dag grijp ik af en toe nog mis in mijn tas. Een iPhone heeft tegenwoordig toch wel een mooie camera ingebouwd, waar ik veel (hƩƩl veel!) en graag gebruik van maak. Even snel een winkel en openingstijden in de omgeving opzoeken voeren we nu in natura uit. We rijden naar het plaatsje waar we op de heenweg doorheen zijn gereden en wat er best leuk uitzag en zoeken een parkeerplek. Als we er dan toch zijn, nemen we direct het hele dorp maar even mee en slenteren we van winkel naar kroeg via restaurant naar huis om daar met een ouderwets boek op de bank te kruipen. Nog een spelletje Yahtzee en dan rollen we ons bed in.
Dag twee gaat al wat beter. Gewapend met spiegelreflex en wandelkaarten trekken we er op uit om een paar uur later in een berghut aan te schuiven bij andere wandelaars. Hoog in de bergen is het leven simpel. Een houtkachel, eenvoudige tafels met stoelen, lekker warm eten en goed drinken. Meer hebben we niet nodig eigenlijk.
De rest van de week denk ik niet meer aan alle mobiele apparaten en zelfs als mijn lief onderweg vraagt wat dat in de verte toch voor gebouw zou zijn trek ik achteloosĀ mijn schouders op. ‘Misschien een klooster of een ziekenhuis,’ opper ik. ‘Of een kasteel… Geen idee.’
Ik hoef het ook niet te weten. Ik wil het niet eens opzoeken.
Eenmaal thuis moet ik wennen aan de constanteĀ bereikbaarheid. Dagenlang heeft mijn iPhone nog ergens op een kastje geslingerd. Pas toen jongste gisteren een groepsgesprek had opgestart met haar liefvader en mij en mijn lief mij op de vaste telefoon belde om te vragen waar ik in hemelsnaam uithing omdat ik niet reageerde, bedacht ik me dat ik me langzaam maar weer in de ‘gewone’ wereld moest gaan begeven.
Alleen, het was zo lekker rustigĀ zonder…

Berghut 6