Tagarchief: Reizen

9/11

Het is druk op straat. Mijn lief en ik zijn vroeg opgestaan om vooral niets van de dag te missen. Ontbijten doen we zoals iedere bewoner of bezoeker van deze stad dat doet: onderweg. Snel even een Starbucks in om niet veel later weer naar buiten te komen met een beker koffie waar je voornaam op geschreven is in de ene hand en een bagel met cream cheese in de andere hand.

Als je niet oppast ren je in gehaaste pas mee met al die mensen die zich naar hun werk spoeden.
Wij hebben echter vakantie en dus zoeken we een bankje. Nog een kunst op zich in deze grote stad, de koffie is dan ook allang op als we dat bankje eindelijk gevonden hebben en ook de bagel is al voor de helft verorberd.

Toch nemen we even de rust om te kijken. Naar de mensen, naar de gebouwen, naar de platte grond die mijn lief ondertussen uitgevouwen heeft.
‘Zullen we eerst hier heen gaan?’ Mijn lief wijst de markering van de Brooklyn Bridge op de kaart aan. ‘Dan kunnen we van daar uit via Wall Street naar de ferry lopen om naar Staten Island te varen. Vanmiddag kunnen we dan Broadway aflopen, terug naar ons hotel gaan. Onderweg kijken we wel wat we tegenkomen.’
Ik knik, terwijl ik het laatste stukje bagel in mijn mond stop en mijn vingers aflik.
‘Klinkt goed.’

Niet veel later lopen we de Italiaanse wijk door in de richting van Chinatown.
Al die indrukken, al die mensen. Je kunt bijna niet anders dan je een vreemdeling voelen, het is bijna gek dat je je ook thuis voelt.  Herkenbare punten, gezien op tv, gehoord in de verhalen die zoveel mensen al over deze stad verteld hebben.
Na het bezoekje aan Staten Island lopen we terug, richting hotel.

Ineens wijst mijn lief een gebouw aan. Verbaasd bekijken we de buitenkant. Wat ziet dat er gek uit. Zwart, bruin, lelijk bijna. Alsof het smelt. We lopen er naar toe. Ik hoor mijn lief een uitroep smoren, zijn hand voor zijn mond geslagen.
‘Het ís gesmolten!’ roept hij. ‘Kijk dan,  het is echt gesmolten. Ground Zero moet hier vlakbij zijn.’
Het dringt maar nauwelijks tot me door dat ik in de hittekring kom van zoveel jaren geleden.

Mijn benen nemen het over van mijn verstand. Pas als ik aan de rand van het enorme monument sta merk ik dat ik sta te huilen. Mijn handen strelen de namen op de rand van de één van de twee bakken.
Ik zie mensen die elkaar vasthouden, mensen die huilen. Bloemen liggen nog steeds op de rand, net als een enkele steen.
Is het echt alweer zoveel jaar geleden?

Om nooit te vergeten…

© Gwennie Benjamins

 

Advertenties

Druppelsgewijs

Mijn eerste (gast)column voor ‘Hoe vrouwen denken’!

Met nog maar een kleine vierhonderd kilometer te gaan, schenk ik mezelf een tweede glas verse jus d’orange in en pik nog even snel een versgebakken broodje met roerei mee naar de ontbijttafel. De ontbijtjuffrouw houdt vragend de koffiekan omhoog en ik knik snel. Heerlijk, nog even die verwennerij voordat we echt aan het laatste gedeelte van onze terugreis gaan beginnen!
Na een derde kop koffie is het dan toch tijd.
Mijn lief duwt me naar de hotelkamer en niet veel later lopen we de trap af. Terwijl mijn lief afrekent schiet ik nog even snel de wc in. Zo’n ontbijt is niet alleen gewicht voor het lijf, maar zeker ook voor mijn blaas.
Als we tien minuten later onderweg zijn vraag ik mezelf af of ik nu echt wel goed heb uit geplast. Het voelt allemaal nog zo… vol.
Na een half uur verlaten we de bochtige wegen en draaien een wat bredere weg op.
‘Eh, moeten we nog tanken?’ vraag ik.
‘Niet echt. Maar misschien kunnen we het wel even doen, de Diesel is hier goedkoper dan bij ons. De tank kan maar vol zijn. Hoezo?’ Mijn lief kijkt me onderzoekend aan.
‘Nee, niets. Dat bedacht ik me ook,’ antwoord ik. Ik draai even van mijn linker- op mijn rechterbil.
Mijn lief draait het eerste tankstation in dat we tegenkomen.
De rollen zijn goed verdeeld: hij tankt, ik reken af. En ik ga nog even plassen.
Bij het afrekenen krijg ik een flesje bruiswater mee. ‘Actie van de dag,’ lacht de man. Ik lach terug en draai de dop van de fles zodra ik weer op de passagiersstoel plaats neem.
‘Actie van de dag,’ knik ik. ‘Lekker! Heeft een vleugje framboos.’
Een uur lang praten we en zingen vooral mee met de muziek op de radio. Omdat ik het niet kan laten swing ik wat mee. Langzaam voel ik de druk toenemen. Met een schuin oog kijk ik naar mijn waterflesje. Bijna leeg…
Oeps
Ik durf bijna niets te zeggen. Op het moment dat we een Raststätte voorbij rijden kreun ik: ‘Ik moet eigenlijk wel plassen… Kunnen we bij de volgende mogelijkheid misschien even stoppen?’
Mijn lief kijkt me verbaasd aan.
‘We rijden net… Nou ja, laat maar. Ik hoop voor jou dat we nog iets tegenkomen nu, maar ik ben bang dat je moet wachten tot we bij de grens zijn, hoor.’
Ik knik en bijt even op mijn onderlip. Ik moet nodiger dan ik denk…
Het duurt inderdaad nog vele kilometers en pas in Nederland draaien we de parkeerplaats van een MCDonalds op. Voorzichtig stap ik uit. Niet gaan druppelen nu…
Tien minuten later stap ik opgelcuht de auto in. Nog maar 80 kilometer te gaan!
Eenmaal thuis loop ik linea recta naar mijn eigen toilet.
‘Help je niet eerst even met de tas… Laat maar,’ roept mijn lief dan.
We zijn thuis!
Druppelsgewijs.

plassen

Kort verhaal

Ik schreef een kort verhaal. Stuurde het uiteindelijk toch maar niet op naar een wedstrijd. Maar… misschien willen jullie het wel lezen! 🙂 #veelplezier

Afluisteren

In de verte sloeg een deur dicht. Eva worstelde zich uit een diepe slaap omhoog, de werkelijkheid in. Haar ogen zochten de cijfers van een wekkertje, maar het leek erop dat iemand die had weggehaald. Voorzichtig kneep ze haar ogen tot spleetjes en gluurde naar het streepje licht dat door luiken naar binnen sijpelde. Waar was ze? Weer klapte er een deur. Nu dichterbij. De geur van specerijen en olie kriebelde in haar neus.
Plotseling wist ze het weer. Haar hart maakte een sprongetje en snel zwiepte ze haar benen over de rand van de bank. Bij gebrek aan een schoon bed had ze voor de bank gekozen. Of dat een goed idee was geweest wist ze nu niet zeker meer, haar rug voelde aan alsof er een truck overheen gereden was. Ook haar armen en benen waren stijf en leken gekneusd. Voorzichtig stond ze op en strekte haar rug langzaam uit met haar handen op de lenden. Toen schuifelde ze naar het raam een trok een van de luiken open . Een stroom koele wind verfriste haar gezicht. Eva zoog de lucht haar longen in en voelde hoe haar lijf langzaam wakker werd. In de verte klonk de oproep van de Imam, het ochtendgebed zou spoedig beginnen.
Langzaam draaide ze zich om en nam de kamer in zich op. Bed, bank, tafel, stoel, wastafel, meer was het niet. Ze hadden haar gewaarschuwd voor de eenvoudige inrichting, maar voor haar voelde het als het paradijs. Eindelijk! Eindelijk zou ze gaan doen waar ze haar hele leven al naar verlangd had. Nog steeds begreep ze niet precies hoe de puzzelstukjes in elkaar gevallen waren, maar feit was dat ze onderweg was voor het maken van een uitgebreide reportage in haar lievelingsblad. Een feuilleton over het leven en de cultuur van vrouwen in oorlogsgebied over de hele wereld. Jarenlang had ze het idee al in haar hoofd gehad. Voor zichzelf had ze het al honderden keren uitgewerkt om het vervolgens weer in de kast te leggen. Op haar blog had ze er ooit eens over geschreven, gefantaseerd hoe ze het zou aanpakken en hoe belangrijk het zou zijn voor alle vrouwen wereldwijd om te weten hoe de levens van andere vrouwen in elkaar zouden zitten. Haar droom om iets voor vrouwen te betekenen zou ze in werkelijkheid kunnen omzetten. Gesteund door andere vrouwen.
Dromen. Ach… wie had ze niet?
En toen was daar plotseling die mail met het voorstel om eens te komen praten. Foto’s en stukjes op haar site hadden de aandacht getrokken van de redacteur van ‘haar’ blad. Het plan was uitgewerkt tot een reis van enkele maanden door meerdere landen.
En nu stond ze dan in Afghanistan. Wat zou ze vandaag gaan zien? Wie zou ze gaan ontmoeten? Waar vind je vrouwen? De markt. Bij scholen. Ziekenhuizen… Misschien moest ze zich maar gaan aankleden. Slapen zou nu toch niet meer lukken.
Weer sloeg er een deur dicht. Nu leek het wel naast haar kamer. De voetstappen op de gang leken voor haar deur te stoppen. Eva spitste haar oren, maar veel meer dan gemurmel van wat stemmen hoorde ze niet.
Langzaam kleedde ze zich aan en pakte haar spullen. Notitieblok, potlood, reservepotlood, fototoestel, flesje water, ze stopte het zorgvuldig in haar rugzak. Ze hoopte maar dat haar gids beneden in de buurt van de lobby was. Haar ogen zochten een spiegel, maar die was weggehaald. Berustend haalde ze haar handen door haar haren en bond ze in een staart. Toen stapte ze de gang op, onderweg naar het avontuur.
De hele dag liep ze door de straten. Ze maakte foto’s en probeerde gesprekjes aan te knopen met de verschillende vrouwen. Sommigen spraken Engels, dat was een geluk. Anderen moesten met behulp van haar gids hun verhaal doen. En altijd was er dat stukje van herkenning. Vrouwen onder elkaar. Een soort van stilzwijgend verbond dat alleen zij leken te begrijpen. Ze wilde haast maken. Morgen, uiterlijk overmorgen vloog ze door naar Servië. Zoveel vrouwen te ontmoeten, zoveel vrouwen te zien.
Die nacht werd ze gewekt door een groep mensen die vlakbij met elkaar stonden te praten. Nu hoorde ze ze duidelijker. Nog steeds onverstaanbaar, maar wel duidelijker. Dat mensen zoveel lawaai konden maken in de nacht. Eva draaide zich om en probeerde te gaan slapen. Morgen zou ze op zoek gaan naar oordopjes, of in ieder geval iets van watten of zakdoekjes. Ze had haar rust hard nodig. Al die indrukken, de vreemde mensen, het geroezemoes…
De week vloog voorbij. Langzaam maar zeker ontwikkelde ze een ritme. Slapen, eten, onderweg zijn voor de gesprekken, weer eten om vervolgens uitgeput in bed te rollen.
Voor ze het wist had ze Servië alweer verlaten en sliep ze op een berg in een klein huisje van een kennis van haar gids, ergens in Irak. Hier zou ze vrouwen ontmoeten die met de kinderen de bergen in gevlucht waren. Hoe zouden ze leven? Hoe hielden ze hun hoofd boven water?
Eva lag op haar bed na te denken toen ze weer stemmen hoorde. Het was een groep. De stemmen kwamen dichterbij en leken naast haar raam stil te blijven staan. Flarden drongen naar binnen.
‘…geen uitzicht…’ ‘…geen idee hoe lang dit nog kan gaan duren.’ Ze hoorde hoe iemand haar (of zijn?) neus snoot. Huilden ze nu? Er waren verhalen te vertellen. Dat kon bijna niet anders. Verhalen uit de bergen, verhalen over vrouwen die het leven niet cadeau kregen.
Zachtjes stond Eva op en sloop naar het raam. Met haar oor tegen het luik probeerde ze de gesprekken op te vangen.
‘Weet u het zeker? Het kan toch zijn dat ze nog terugkomt? Ik bedoel…’ De andere stem suste de vrouw die had gesproken. ‘Het wordt steeds onwaarschijnlijker. Jullie moeten echt rekening houden met het ergste. Honderd procent zekerheid kan ik niet geven, maar het duurt nu al te lang…’ Eva hoorde hoe de vrouw harder begon te huilen. Over wie zouden ze het hebben? De moeder van de vrouw? De dochter? Een vriendin..? Vastbesloten om hen niet te laten gaan zonder het verhaal opgetekend te hebben schoot ze haar broek en trui aan. Snel pakte ze haar opschrijfboekje en liep naar de deur. Jeetje, wat klemde dat ding. Met haar schouder tegen de deur aan duwde ze hem open. Haastig liep ze de hoek om, naar haar raam en keek zoekend om zich heen. Ze konden nooit ver weg zijn. Links? Rechts? Waar zouden ze naar toe zijn gegaan? Aarzelend zette ze een paar stappen van haar huisje af. De buitenlucht voelde koel. In de verte hoorde ze iemand roepen. Een zweem jasmijngeur prikkelde haar neus. Haar lievelingsgeur.
Plotseling snakte Eva naar adem. Haar hart kromp samen, het maakte dat ze dubbelklapte waardoor ze zich op de grond liet zakken. Een gevoel van heimwee raakte haar als een mokerslag. Hoe zou het thuis zijn? Met haar ouders, haar moeder..? Het was zo lang geleden dat ze hen gesproken had. Die geur, die verdomde jasmijngeur had haar doen beseffen dat het misschien te lang geleden was. Drie weken? Vier weken? Ze wist het niet meer.
Voorzichtig stond Eva op en draaide zich om. De stemmen konden haar gestolen worden. Morgen zou ze eerst eens op zoek gaan naar een internetcafé. Misschien kon ze Skypen. Dat zou wel rust geven.
De zon brandde nu al uren op haar blote armen. Haar hoofd, benen en voeten waren goed bedekt, maar het had te warm geleken om een shirt met lange mouwen aan te trekken.
Irak had plaatsgemaakt voor Syrië en nu was ze alweer een paar dagen in Soedan.
De reis putte haar meer uit dan ze ooit voor mogelijk had kunnen houden.
Dorst. Dat was misschien wel het meest gebruikte woord van de afgelopen uren. Niet alleen door haar, maar ook door de vrouwen die ze ontmoet had. Zoveel dorst dat er zelfs voor de kinderen niet voldoende te drinken was. Lusteloos hingen ze om hun moeder of zusjes heen. Wachtend op een paar druppels regen.
Eva probeerde haar keel te schrapen. Een pijnlijk rauw gevoel had zich bovenin haar borstholte genesteld en het leek of slikken steeds moeizamer ging.
Met haar rug tegen een boom sloot ze een paar tellen haar ogen. De hitte was te verzengend om door te gaan. Ze besloot om in de schaduw stilletjes de afkoeling van de avond af te wachten. Misschien dat de wolken inderdaad zouden openbreken zoals het stamhoofd had beloofd. Dan konden ze allemaal weer opgelucht adem halen.
Tussen haar wimpers door observeerde Eva een paar jongetjes die nog dapper een paar geiten naar een groep bomen probeerde te drijven.
‘… achteruit gegaan…’ ‘Waarom reageert ze minder? Ik begrijp er niets van…’
‘Eva!’
Met een ruk schoten de ogen van Eva open. Wie riep haar naam? Verwilderd keek ze om zich heen. De schaduwen waren langer geworden. De dag liep op zijn eind. Van de jongens en de geiten was geen spoor meer te bekennen. Haar mond leek wel van karton, zo’n dorst had ze. Krampachtig probeerde ze te slikken, maar haar mond was gewoonweg te droog. Water, ze had beslist water nodig. Voorzichtig hees ze zichzelf overeind. Allemachtig, wat voelde ze stijf en stram aan. Zou vochttekort dit nu met een mens doen.
‘Eva…’ Weer hoorde ze haar naam. Nu leek het wel gefluister. Ze herkende de stem, maar toch ook weer niet.
Een druppel water spatte op haar neus. Verbaasd hief Eva haar gezicht op. Er volgde een tweede druppel die precies op haar lippen landde. Toen nog een en plotseling opende de hemel zich. Langzaam hief Eva haar armen naar de hemel en bleef stil staan. Tranen vermengden zich met regendruppels.
Het was genoeg.
Ze wilde weer naar huis. Naar haar eigen bed, haar eigen huis. En niet iedere keer dat reizen, afzien, verhalen optekenen om vervolgens weer onderweg te moeten gaan naar het volgende project. Van alles wat ze geschreven en gefotografeerd had, had ze nog niets teruggelezen. Vaak mailde ze het vanuit een internetcafé of een toevallig hotel waar ze voorbij reed, maar nog nooit had ze iets van haar hand terug gelezen in het weekblad. Ze was er vast van overtuigd dat haar moeder alle bladen zou bewaren, maar toch… Misschien vonden de lezers het niet eens leuk en lazen ze het niet.
De regen werd al snel minder. Eva liep terug naar haar kamer. Haar benen leken wel van lood, zo moe was ze.
Nadat ze droge kleren had aangetrokken en een fles water had leeggedronken ging Eva languit op bed liggen. Het duurde niet lang of ze sliep alweer. Tegenwoordig sliep ze sowieso meer uren dan ze wakker was. Veertien uur slapen was niets. En tijdens deze monsterslapen droomde ze steeds vaker de vreemdste dingen. Soms werd ze badend in het zweet wakker omdat ze dacht er mensen in haar kamer waren. Als het bonken van haar hart dan wat bedaard was, bleek het niets anders te zijn dan ratelende waterleidingen of rumoer op straat.
Ook nu droomde Eva weer onrustig. Ze zag haar ouders die probeerden met haar te praten. Maar de glasplaat tussen hen in verhinderde dat ze kon verstaan wat zij zeiden. Bonkend met haar vuisten op het raam probeerde ze de aandacht van haar moeder te trekken. Deze leek haar echter niet te zien. Ook haar vader liep heen en weer aan de andere kant van de glasplaat. Af en toe bleef hij staan en tuurde door het glas. Zonder haar te zien.
‘… tijd om afscheid te nemen. Ik laat u alleen.’
Eva’s ogen vlogen open. Deze keer was de stem helder en duidelijk.
Alles rondom Eva was donker. Ze probeerde haar arm op te heffen om het lichtknopje te zoeken. Maar alles was zwaar. Zwaarder dan lood. Zwaarder dan … dan wat dan ook.
‘Lieverd. Ik hou van je. Ik hou zo ontzettend veel van je. Je moet dat weten. Maar dat doe je wel, hè?’ Eva voelde hoe een koele hand liefdevol over haar wang haren wegstreek. De lippen van haar moeder raakte haar andere wang. De geur van jasmijn drong haar neus binnen.
‘Liefje, het is goed. Laat het maar los. Je hebt nu al zolang gestreden. Wij begrijpen wel dat je moet gaan. Onthoud goed, je bent altijd mijn liefste meisje geweest. Dat zal ook nooit veranderen. Het is goed. Toe maar. Ga maar…’ De stem van haar vader maakte dat de paniek ineens toesloeg.
Wat gebeurde hier? Waar waren haar ouders? Waren ze in haar kamer? En als dat zo was, waarom zag ze hen dan niet?
‘We gaan straks de machines afkoppelen. Wilt u daarbij blijven?’ De stem van de arts klonk helder in het hoofd van Eva.
Afkoppelen? Machines? Waren ze nu helemaal gek geworden? Waar hadden ze het over?
Wild probeerde Eva met haar armen en benen te slaan en schoppen, maar het leek wel alsof haar lichaam in beton gegoten was. Zelfs haar ogen kreeg ze niet meer open. Wisten ze dan niet dat ze er gewoon was? Dat ze hoorde wat ze zeiden?
‘Papa! Mama! Ik ben hier..!!’ De woorden bleven in haar borst hangen. Vonden de weg naar buiten niet.
Ze voelde hoe haar vader haar ene hand en haar moeder haar andere hand vastpakte.
‘Lief, lief meisje van me…’ Ze hoorde haar moeder dit ene zinnetje eindeloos herhalen. Haar vader drukte zijn lippen constant tegen de rug van haar hand, in een eindeloze zoen. Toen hoorde ze een klik. Nog een klik. Een piep, gevolgd door stilte.
Mama, papaaa… Stop! Niet doen. Ik ben hier. Ik ga niet meer op reis, ik doe het echt niet meer. Ik beloof het jullie. Mamaaaa…!
De laatste gedachten ebde weg. De geur van jasmijn hing in de kamer.
Op de tafel in de hoek van de kamer bescheen een lampje haar favoriete tijdschrift.
Iedere week een nieuwe reportage door een vaste redacteur. Feuilletons deden ze niet aan. Nooit gedaan trouwens. Dat was niets voor hen.

coma

Dag(je)dromen

‘Het zijn moderne nomaden, hun matje onder de arm. We zien ze steeds meer: yogi’s die hun hart volgen, hun vaste baan opzeggen en de wereld rondreizen om yogales te geven.’
Met de nieuwe Yoga Magazine op schoot koester ik het zonnetje. Een groot glas Chai tea latte binnen handbereik, daarnaast het koekblik open, net gevuld met de heerlijkste stroopwafels die er zijn.
Ik droom even weg. Hoe zou het zijn om je baan op te zeggen en gewoon wereldburger te worden? Te reizen, te leven daar waar je bent op dat moment? Om je hart je thuisbasis te laten zijn, zoals in het artikel beschreven staat.
Ik zucht. Maan het stemmetje in mijn binnenste tot stil en weiger te luisteren naar de argumenten waarom ik het vooral niet zou moeten doen. (‘En de kinderen dan?’ of ‘Zou je lief wel meewillen? Dat is wel een belangrijke voorwaarde natuurlijk!’ en ‘Hoe zit het met je huis, je werk, inkomen en laten vooral je ouwe-dag-voorziening niet vergeten?’ …)
Mijn ogen blijven een moment op de koektrommel hangen. Zo gezond als yogi’s zijn ben ik nu ook weer niet…
De koektrommel is half leeg.
Snel gooi ik de deksel erop en breng hem naar binnen. Hup, de kast in.
Ik trek de koelkast open en schenk mezelf een groot glas bronwater in. Voor de smaak en sier snij ik er een paar schijfjes limoen in. Dan schud ik wat noten in een schaaltje en loop naar buiten, de zon weer in.
Zo, dat is beter.
Meer in evenwicht met het blad op schoot.
Tevreden blader ik door.
5 opfrishoudingen van Hilary Brown.
Dat lijkt me wel wat voor het yogamomentje van de dag.
In gedachten maak ik een aantekening: deze Yoga Magazine bij mijn matje leggen, dan kan ik de oefeningen nadoen.
Op bladzijde 27 wordt mijn aandacht pas goed gewekt.
Ayurveda op Sri Lanka. Tóch weer dat reizen…
Bij het lezen van het artikel springen de tranen in mijn ogen. Voor mij een teken dat het artikel me niet alleen raakt, maar dat het me een soort van thuis brengt. Dit hoort bij me. Hier word ik helemaal warm van.
Ik denk weer even aan de woorden die een collega pas geleden tegen me sprak: ‘Als ik aan jou denk in combinatie met werk, dan zie ik jou bezig met stenen, met natuurlijk materialen, yoga, meditatie, andere geneeswijzen…’ Het was haar antwoord op mijn vraag of ze vond of ik zweverig was. Dat ontkende ze in ieder geval, maar tegelijkertijd gaf ze toe dat ik wel anders in elkaar zit dan de doorsnee medewerker bij een ministerie. Ach, daar heeft ze misschien wel gelijk in. Als ik aan mijn prikbord in mijn werkkamer denk hangen daar meer spreuken, mooie plaatjes, wijsheden, Tibetaanse vlaggetjes en foto’s dan handige werkschema’s of een overzicht van vergaderingen of belangrijke bijeenkomsten.
Mijn handen glijden nog een keer over het artikel en ik kijk mijn lief aan.
‘Dit wil ik ook ooit nog doen. Lijkt me geweldig!’ Ik laat mijn lief het stuk lezen.
‘Eigenlijk zou ik daar best meer over weten,’ peins ik. ‘Zou daar een opleiding of cursus in zijn?’
Mijn lief zucht.
‘En je andere opleiding dan? Waar je in september mee wilde beginnen?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Ik vind het allemaal zo moeilijk, waarom zijn er zoveel leuke dingen te doen en te ontdekken?’ kreun ik. ‘Ik wil zoveel! Ik vind zoveel dingen leuk en interessant. Ik kan gewoon geen keuze maken!’
Vol frustratie been ik naar de keuken. Daar trek ik de kast open en gris het koekblik er weer uit.
Terug in de zon verdwijnt de een na de andere stroopwafel in mijn mond.
Een mens kan echt veel beter nadenken met stroop in z’n lijf.
Ook daar ben ik van overtuigd!

koek

Reizen met Tom

Ik ga graag op reis. Hier in Nederland of erbuiten.
Ontdekken – schrijven – fotograferen, het is dé droomcombinatie waar ik nooit over had nagedacht. Eigenlijk weet ik pas sinds kort wat ik later zou willen worden, maar het vervelende van deze ontdekking is dat ik al in het later leef en niet goed weet hoe ik dit zou kunnen veranderen.
Ik bedoel, wie zit er nu op een bijna 49-jarige Floortje Dessing te wachten?
Goed.
Ik ben dus graag onderweg.
Meestal ga ik met mijn lief op pad. Soms alleen.
Beiden bevallen mij prima.
Sinds een tijdje heb ik nog een reismaatje.
We kennen elkaar nog niet zo lang, maar het grappige is dat we maar zelden ruzie krijgen. In tegenstelling tot het reizen met mijn lief, waarbij het nog weleens tot verhitte discussies kan komen omdat ik toch de afslag verkeerd heb gelezen, zijn hij en ik het eigenlijk altijd wel eens met elkaar.
Gisteren was het weer zover: hij en ik gingen onderweg. Met z’n tweetjes.
Gelukkig is mijn lief niet jaloers aangelegd. Waarom zou hij ook? Hij weet: ik ben haar grote liefde en dat uitje met die ander is iets wat ze gewoon af en toe nodig heeft.
Omdat ik een vroege vogel ben, past Tom (zo heet de ander) zich aan aan mijn ritme.
Dat is fijn.
Even na achten reden we dus de straat aan.
De zon scheen, de velden waren wit van de rijp en de lucht kleurde babyblauw met af en toe een zweem roze erdoorheen.
We zochten een leuk muziekje op en in een vredige stilte reden we richting oosten van het land. Af en toe zeiden we iets tegen elkaar, wees ik hem op de enorme troepen ganzen die gakkend door de weilanden scharrelden of liet hij me weten dat ik misschien iets zachter zou kunnen rijden.
Bij Arnhem moesten we richting Doetinchem en bijna ging het mis.
De rotonde die er moest zijn miste ik en plotseling was ik van de snelweg op een ventweg terecht gekomen. Tom haalde echter zijn schouders op. Wees een keer naar de boot die onder de brug doorvoer waar we op dat moment overheen reden en vertelde me dat we een andere weg konden nemen. Waarschijnlijk zouden we er zo ook wel komen.
Dorpen gleden aan ons voorbij.
Namen waar ik nog nooit van gehoord had.
Lathum, Bahr, Bingerden, Angerlo, Drempt, Laag-Keppel, Hummelo… Bij de laatste naam ging een belletje rinkelen. Daar had ik weleens over gehoord.
Ontspannen leunde ik achterover en genoot van de boerderijen, verlaten gemeentehuizen en de schattigste kerkjes die je je maar kunt voorstellen.
Tegen koffietijd parkeerden we de auto en liet ik hem achter in de auto voor een kop koffie en een lunch met drie lieve vriendinnen.
Tegen drieën ontmoetten we elkaar weer in de auto en gingen onderweg naar huis.
Deze keer in rechte lijn. Ook hij weet: op de heenweg kan ik haar verleiden met nieuwe routes, terug wil ze naar huis. Naar haar lief.
Ja, Tom en ik, een prima combinatie!

Tom