Tagarchief: Vakantie

Louis de Funès

Het was vroeg in de ochtend op de 14e juli. Frankrijk werd wakker zonder de wetenschap wat er die avond in Nice zou gaan gebeuren. Mensen groetten elkaar vrolijk op straat, een lange vrije dag in het verschiet. In de straten hingen vlaggetjes in de kleuren van het land. Bij de Mairie wapperde de grote vlag, nog fier hoog in de stok.
Dagen van te voren hadden we het feestprogramma van die dag al bestudeerd. Vuurwerk op 13 juli (niet ongebruikelijk in die kleine dorpen) met avondfestiviteiten bij het meer, op de dag zelf een herdenking op het plein en een receptie voor genodigden bij de burgemeester. Een dorp kan nog zo klein zijn, maar één ding is overal gelijk op die dag: de inspectie van de brandweer door de burgemeester op de feestdag zelf!
En dus wandelden lief en ik op die 14e juli naar het ‘Monument aux morts’ waar de inspectie zou plaatsvinden.
De hele week hadden we een stralende zon gezien, maar juist deze dag had de lucht zich gevuld met zware, grijze bewolking. In de verte rommelde het af en toe en voor de zekerheid hadden we onze regenjassen maar meegenomen.
Bij het monument verzamelden de dorpsbewoners zich. In een rijtje stonden de vijf brandweerauto’s, die het dorp rijk is, opgesteld. Ervoor liepen zenuwachtig 12 brandweerlieden heen en weer. De ouderen rookten nog snel een sigaret, de jongsten kauwden wat kauwgom. Naast de commandant stond een klein mannetje. Strak in pak, het karakteristieke blauwe dopje op zijn hoofd. Naast hem stond een lange gestalte met de Franse driekleur als sjerp om zijn linkerschouder. ‘Dat moet vast de burgemeester zijn,’ knikten we naar elkaar.
Een goede 30 meter verderop stelde de plaatselijke fanfare zich ondertussen op. Nog meer sigaretten en een enkeling met een klein glas wijn.
Klokslag 11.00 uur gaf de burgemeester het sein en in sneltreinvaart nam iedereen zijn of haar plaats in.
Bij de eerste tonen van de fanfare lieten de wolken hun eerste druppels los. Hoe harder de fanfare ging spelen, des te heviger werd de regen. Aan het eind van het muziekstuk besloot de Heer er een klap aan te wagen en iedereen sprong op.
De burgemeester, niet van zijn stuk gebracht, begon zijn toespraak. Zijn Gendarme gebaarde naar de brandweer: neem jullie plaatsen in!
Na zijn toespraak stootte een vrouw de Gendarme aan die verschrikt opsprong. Hij leidde de burgemeester snel naar de rij brandweerlieden. Naam, rang en bijzonderheid werd gemeld. Ondertussen begon de burgemeester er een beetje als een landloper uit te zien. Haren plakten op zijn voorhoofd en de sjerp hing als een vodje over zijn pak. Onverstoorbaar liep hij echter de rij af. Steeds iets sneller, dat hadden we al wel gezien.
Bij de laatste en jongste in rang raakte de Gendarme volledig de kluts kwijt. Hakkelend vroeg hij naar de naam van de jongen.
‘Christian, monsieur,’ fluisterde hij door de microfoon.
‘En als laatste hebben we hier Christian… eh…. Christian!’ De achternaam en rang werd achterwege gelaten.
Snel gaf hij de burgemeester een hand en stapte weer naar achteren.
De burgemeester, ondertussen een verzopen kat, snelde naar zijn plek terug onder de paraplu, zijn Gendarme achter zich aan rennend. Nu moesten de geslaagden van het dorp nog naar voren komen.
De fanfare schuifelde onrustig heen en weer. Ook zij dreven hun pakken uit.
Een voor een werden de kinderen naar voren gehaald. 19 op een rij. Bij de laatste vijf spoorde de burgemeester hen tot een hogere snelheid aan. Kinderen renden naar voren, sprongen over de snel ontstane plassen en deden hun best niet uit te glijden over het grit waar op andere dagen Petanque werd gespeeld.
De fanfare gaf de moed op. Eerst liep de trombonist naar zijn auto en gooide zijn muziekinstrument in de achterbak. Hij zat droog. Niet veel later volgden een paar trompettisten en uiteindelijk rende de gehele fanfare naar hun vervoersmiddel.
Klaar.
De burgemeester riep ondertussen de zo overbekende woorden steeds luider (‘Vite, vite!’) en na de laatste examenkandidaat slaakte iedereen een diepe zucht. Zelden heb ik een plein zo snel leeg zien stromen.
Tien minuten later zat iedereen aan de borrel bij Carlos in het café.
Behalve de burgemeester. Hij moest zich nog door een verzopen receptie heen werken op zijn Mairie. Samen met zijn dappere Gendarme.
Volgens mij heette hij Louis…

Louis

Advertenties

Het goede leven

Sommige dingen zijn zo onlosmakelijk verbonden met een land, dat je niet eens in de gaten hebt hoe uniek het eigenlijk is.
Zo eten wij in Frankrijk gewoon iedere dag voor het ontbijt een croissant, of twee – al dan wel aangevuld met een stuk baguette – ruimschoots besmeerd met verse boter en een dikke laag confiture (niet te verwarren met jam, want daar haalt menig Fransman zijn neus voor op!). Toegegeven, na twee weken begin ik stiekem wel te verlangen naar mijn kommetje muesli en vers fruit, maar zolang we in La Douce France zijn laaf ik me aan dit soort geneugten in de wetenschap dat ik nog een heel jaar gezond bezig kan zijn met mijn dagelijks ontbijt.
Ook de middagmaaltijd is iets waar wij enthousiast aan mee mogen doen!
Het aanschuiven moet tussen 12.00 en 13.00 uur gebeuren en voor een Plat du Jour is er niet veel meer keuze dan: voorgerecht – hoofdgerecht – eventueel een kaasplankje – nagerecht. Altijd vergezeld van een lekker glas wijn en afgesloten met een klein kopje koffie. Het aperitief slaan we meestal maar over, anders komt er van de middag echt helemaal niets meer terecht.
Je vraagt je soms af waar de ingrediënten voor de maaltijd vandaan komen; in de wijde omtrek is – op het platteland, waar wij over het algemeen vertoeven – geen supermarkt te bekennen, laat staan een plaats die groot genoeg is om een groothandel te waarborgen. En dan toch… in negen van de tien gevallen krijg je dingen op je bord die je doen wegsmelten van geluk.
Escargots, knapperig stokbrood, stoofpotjes met van dat vlees waar je alleen maar op hoeft te zuigen, gedrenkt in een overheerlijke saus, gegarneerd met een heerlijke aardappelgratin die in de mooiste laagjes is opgebouwd. Vervolgens komen de meest heerlijke kazen voorbij en wordt er afgesloten met het soort toetjes waar ik in ieder geval wel in begraven wil worden. Chocola zoals chocola moet zijn, een Crème Brûlée die zo romig is dat je de bodem uit je schaaltje aan het schrapen bent als je niet uitkijkt of een frisse ijscoupe met van die verse aardbeitjes die bijna in suiker gedoopt lijken, zo zoet.
Omdat wij toch Nederlanders in Frankrijk blijven, is de grootste verrassing dan altijd toch weer de rekening. Voor de zoveelste keer vraag je je dan toch maar weer af hoe het in ‘s-hemelsnaam mogelijk is om zo copieus met twee personen te eten voor…. € 28,80!
Om bij te komen van deze ervaring wandelen we vaak maar wat rond in een dorp dat niet veel meer te bieden heeft dan een verlaten kerkje, een schooltje, een Mairie en met een beetje geluk nog een ander café waar we op het terras nog maar even uitbuiken onder het genot van een glaasje wijn of rosé.
Niet gek dus dat we elkaar rond de avondmaaltijd aankijken en besluiten: wat yoghurt met vers fruit, eventueel een stukje stokbrood met iets erop, maar daar blijft het bij voor vandaag!
Nou ja, die ene fles wijn dan misschien. Lekker koel in de schaduw, dat mag. En eventueel die lekkere verse olijfjes van de markt van die ochtend met dat kleine stukje paté. Die Canard, van die boer die hem zelf had gemaakt. En dat ene kaasje is wellicht ook wel lekker. Je weet wel, met die blauwschimmel dooraderd. Nou ja, en als je dan toch loopt…

lekker1Lekker2

Genieten

Met mijn yogamatje onder mijn arm wandel ik de tuin in. De enorme tuin van daar waar we op dit moment een tijdje mogen verblijven. Vogels kwetteren, de ezel en het paard kijken sloom op als ik vlakbij ze mijn matje uitrol. Je ziet ze bijna denken: wat gaat zij nu doen? De ezel is zo dom nog niet en slentert dichterbij.
Nieuwsgierig.
Ik aai zijn neus en draai dan mijn gezicht even naar de zon die voorzichtig haar stralen door het bladerdek van de bomen om me heen laat doordringen. Een zoete geur van amandelen vult mijn neus en ik haal diep adem.
Een klein half uurtje later loop ik terug naar het koetshuis. Tevreden. Dit ging best lekker.
Mijn lief ligt nog in bed de krant te lezen. Ik lijn de hondjes aan en laat ze alle geuren van het landgoed opsnuiven, terwijl we alledrie ons best doen om niet te snel te rennen.
Als ik ze weer terug naar het huisje heb gebracht pak ik wat geld en een tas. Tijd voor de verse croissants voor deze ochtend.
Bij de Boulanger probeer ik het verhaal van de bakkersvrouw te volgen dat ze aan de dame voor me vertelt. Ik denk op te vangen dat het huis van haar zoon nog steeds te koop staat. Moeilijke tijden. Of iets dergelijks. Misschien had ze het ook wel over haar huis schoonmaken, maar dat maakt me eigenlijk niet zo veel uit. Beiden hoef ik niet te doen. Verkopen niet en schoonmaken al helemaal even niet.
Als ik aan de beurt ben bestel ik mijn croissants en baquette. Ik vraag of de jam die in de schappen staat zelfgemaakt is. De vrouw knikt. Haar dochter heeft de jam bereid en de honing is van eigen bijenkorven. Ik besluit van beiden een pot mee te nemen. Abrikozenjam en lente-honing. Klinkt goed, al zeg ik het zelf.
De vrouw van de bakker ziet in mij een volgend slachtoffer en ook aan mij begint ze een heel verhaal op te hangen. Ik laat het over me heen komen en knik (hopelijk) op de juiste moment ja. Af en toe mompel ik ‘Oui, non,’ of ‘Mais, bien sûr…’
Gelukkig klingelt de deurbel op tijd en komt een oud vrouwtje binnen die meer ruimte inneemt dan haar omvang doet vermoeden. Met een tevreden gevoel laat ik de twee aan elkaar over. Bij de deur roep ik nog een ‘Bon journée!’, maar de twee hebben het te druk met elkaar om mij nog op te merken.
Neuriënd wandel ik weer terug naar mijn lief en de hondjes.
Bij het huisje geurt de koffie me al tegemoet en een glas verse jus d’orange staat klaar. Vers gekakelde eitjes liggen in een mandje op de buitentafel. De eigenaresse van het landgoed zwaait van de overkant van het grasveld en gebaart naar het mandje. Pas gelegd begrijp ik.
Langzaam trekken mijn mondhoeken in de verste stand van genieten.
Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat het lachen me hier serieus niet vergaat.

Lormes1

Eerste liefde

Iedereen heeft een eerste, echte liefde. Zo’n liefde die je niet vergeet. Die je hele leven bij je blijft. Sommigen zijn zelfs met die eerste, echte liefde getrouwd! Maar meestal is zo’n eerste, echte liefde een kalverliefde, een intense verliefdheid die diepe indruk maakt. Die ervoor zorgt dat je de eerste stappen maakt in de wereld van geliefden. Je duidelijk maakt dat er méér in de wereld is dan je vriendinnen, je ouders, je broer, je zus…
Ook ik had zo’n eerste echte liefde.
Zestien was ik en ik viel als een blok voor hem! Blond haar, blauwe ogen, stoer en ontzettend onbereikbaar. Nou ja, voor twee weken waren we ongelooflijk bereikbaar voor elkaar. Twee vakantieweken lang keken we allebei de hele dag uit naar de middag of in ieder geval de vroege avond. Dat was het moment dat ik weer terug was van een dagje weg met mijn ouders en ik – samen met een vriendin, die met ons mee was – met hem en een vriend van hem onderweg kon. De bergen in. Naar een volgend bergdorp, waar we zijn vriendengroep ontmoetten of gewoon bij hem thuis wat rondhingen. Het maakte ons niet zoveel uit, zolang we maar samen waren.
De vakantie duurde eeuwig en ik was er toen van overtuigd dat ik ooit naar Oostenrijk zou verhuizen. Voor mij was het wel duidelijk. Zestien jaar oud…
Bittere tranen vloeiden toen ik weer naar Nederland moest. Hoe moest ik in godsnaam de tijd overbruggen naar een volgend moment? Ellenlange brieven gingen zijn kant op, af en toe kwam er iets van hem terug. Hij was geen schrijver. Wel kwam hij een keer op zijn motor voor een weekend naar Nederland. Dat bevestigde mij: hij vond mij toch ook wel heel erg leuk!
De volgende zomer gingen we weer naar Oostenrijk. De dagen telde ik af. Tegelijkertijd was ik me bewust van het naderend afscheid dat onherroepelijk zou volgen na twee weken vakantie. Ik had het al eerder meegemaakt.
Die tweede zomer was anders. Nog steeds was ik verschrikkelijk verliefd, nog steeds vertelde hij hoe gek hij op mij was, en toch was er iets veranderd. Hij was rusteloos, wilde weg uit dat bergdorp en de wereld zien. Ik wilde niets liever dan de wereld verlaten en met hem in dat bergdorp gaan wonen. En dus liepen onze wegen uit elkaar. Gingen we ieder ons eigen weg.
Ik trouwde. Ging scheiden. Hertrouwde. Maar de herinnering aan hem was nooit helemaal weg.
Hij was de eerste die mijn leven op z’n kop had gezet. De eerste waarbij ik de gedachte aan een samen had gehad.
Ik ben hem nog één keer tegen gekomen. Twee dagen lang trokken hij en mijn eerste man met elkaar op. Twee dagen lang waren onze levens weer even verweven met elkaar. Twee dagen waarbij we elkaar soms per ongeluk tegelijkertijd aankeken om dan snel weer om te draaien. Het was gek, het was goed.
Vandaag stuitte ik per ongeluk op zijn overlijdensadvertentie.
Mijn hart miste een slag. Tranen liepen over mijn wangen.
Mijn eerste grote liefde is niet meer.
Jeetje…

armin2

 

Rotmeid

Het is alweer een paar weken geleden dat het gebeurde.
Tijdens een ritje naar de bewoonde wereld vanaf ons vakantieadres floepte het woord in het scherm van mijn telefoon.

‘Rotmeid!’

Samen met nog wat andere berichtjes, maar het was dát woord wat maakte dat mijn hart een slag miste.
Rotmeid? Wie stuurde er nu een berichtje met dit woord naar mij?
Snel ontgrendelde ik mijn telefoon en liet alle andere berichtjes voor wat ze waren.
Toen las ik het appje pas goed.

‘Rotmeid!
Gaat ze me alleen laten. Snap het wel, maar ik vind er niets aan.
Ga je erg missen. Want was – nee ben! – heel blij met je!
Dikke smakkerd, X’

Ik grinnikte en las toen de andere berichtjes. De vele mailtjes ook die achter elkaar waren binnengekomen.
Even bekroop me het gevoel: waar ben ik aan begonnen? Trek ik dit allemaal wel? Hoe ben ik hier verzeild in geraakt?
En toch wist ik tegelijkertijd: het is goed. Het is méér dan goed. Ik ben weer in beweging.
Het is niet eens dat ik er echt naar op zoek was. Helemaal niet eigenlijk.
Vooral in de laatste jaren had ik de ruimte gekregen om mijn eigen werkzaamheden zelfstandig in te richten. Gekoppeld aan een secretaris vormde ik een gouden duo, als secretaris van een landelijke werkgroep ging ik met een groep enthousiaste mensen uit het land aan het werk om meer vorm te geven aan de kreet ‘integriteit en het werk’. Ook binnen de paleismuren was er uitdaging genoeg te vinden. Soms knaagde er wel iets aan me dat de ideeën die ik had bij directie en omgeving geen grond vonden om te kunnen wortelen, maar dan troostte ik me met de gedachte dat in ieder geval de naaste collega’s wel waardering leken te hebben voor wat ik deed. Het werd alleen niet omgezet in financiële waardering.
Dat was wel weer jammer dan…
Vlak voor onze vakantie kwam er ineens een kans voorbij.
Binnen de rechtspraak, op fietsafstand van thuis, financieel aantrekkelijker en leuke vooruitzichten om mezelf te kunnen ontwikkelen. Ik zou gek zijn als ik dat niet deed.
Maar wat dan met mijn collega’s te doen? Mijn team? De mensen die me allemaal zo lief zijn geworden?
Ik besloot dat ik het daar niet vanaf moest laten hangen. Leuke collega’s vond je tenslotte overal. Bovendien, hield ik mezelf voor, wie zou zeggen of ze mij wel zouden missen? Niemand is tenslotte onvervangbaar.
Ook ik niet.
Ik waagde dus de sprong. Solliciteerde, ging op gesprek en werd aangenomen.
Vanaf mijn vakantieadres informeerde ik mijn team. Per mail. Omdat het anders te lang zou gaan duren voordat mijn baas naar de nieuwe ‘ik’ op zoek kon gaan.
De eerste dagen na het bewuste mailtje van mij vanuit Frankrijk bleef mijn telefoon gaan. Lieve, geschokte berichtjes wisselde zich af met gelukswensen en woorden als: ‘Ik begrijp je helemaal!’, ‘Goed gedaan!’ en ‘Groot gelijk.’
Langzaam nam het knagende gevoel weer af en kon ik me verheugen op wat er komen ging.

Afgelopen week was het zover.
Ik nam afscheid van mijn Paleis en stapte de volgende dag op de fiets om zo’n 15 minuten later de fietsenstalling onder mijn nieuwe werkplek in te fietsen.
De nieuwe attractie in de Efteling zal een makkie voor me zijn. Want ook deze week heb ik overleefd. Overweldigende hitte en een nieuwe baan blijkt een prima combinatie. Uitgeput van alle nieuwe indrukken, gezichten en informatie zakte ik ‘s-nachts in een diep coma weg. Niet bewust van de bijna 30 graden in onze slaapkamer.
Op weg naar het nieuwe.
Als rotmeid. Of nieuwe collega.
Het is mij om het even! 😉

nieuwe baan2

Jaap

Sinds een tijdje gaat Jaap met ons mee op vakantie. Nog niet zo heel lang, maar een jaar of drie geleden was hij er ineens.
Op de achterbank.
Jaap is een makkelijke reisgenoot. Hij eet of drinkt niet veel, is rustig en geeft op de juiste momenten het goede antwoord.
Vooral tijdens de eerste vakantie dat hij mee ging vroeg ik hem regelmatig om raad. Soms had hij het antwoord snel paraat, soms leek hij het leuk te vinden om het antwoord een beetje in het midden te laten. Ik raadde dan maar wat, giste er stoer een beetje op los en hield me vervolgens gedeisd
Hoe langer Jaap met ons meeging, hoe stiller hij werd. Niet afwijzend stil, niet boos stil, nee, Jaap werd goedkeurend stil. Alsof hij instemde met hetgeen hij zag en hoorde.
Vorig jaar ging Jaap niet mee.
Amerika was te ver voor hem, bovendien was hij de Engelse taal niet bijster meester. Amerikanen knauwen en dat maakt toch al snel dat alles nét wat anders klinkt dan het Engels dat we op school leren. Nu was het niet zo erg dat Jaap niet meeging naar Amerika, we kunnen ons aardig zonder hem redden daar.
Afgelopen herfst verscheen hij weer op de achterbank. Onderweg naar Bourgogne. Deze keer niet alleen om vragen te beantwoorden, maar ook om aan te sporen.
‘Ga dat nu eens vragen, anders kom je er nooit achter.’ Zijn stem klonk bijna spottend, maar ook serieus tegelijkertijd. ‘Je kunt het best, ik weet het zeker.’
Ik vertrouwde het niet helemaal, dus ik hield het bij één enkele poging, die ook nog maar halfslachtig uitviel. In plaats van de eerste weg links namen we de tweede. Dat we uiteindelijk toch het café vonden waar ook een garage (en dus ook benzinetank) aan verbonden was, was meer geluk dan wijsheid. Hoewel ik eigenlijk ook wel tijdens het vragen aan de kant van de weg heel duidelijk begrepen had dat het tankstation in het midden van het dorp lag, waar je ook bier kon tappen. Dus zover zat ik er nu ook weer niet naast…
Goed.
In Parijs was Jaap ook van de partij en overwon ik al meer schroom. Ik vroeg niet alleen de weg aan vreemden, maar vroeg aan een winkelier of ze mijn favoriete magazine (in het Frans) verkochten. Ik begon zelfs een minigesprek met de ober! En als klap op de vuurpijl las ik een folder van le Petit Palais, waarbij ik meer dan de helft zowaar kon begrijpen.
Ik voelde me een hele madame!
Afgelopen vakantie verhuisden we ons huishouden – inclusief twee hondjes – voor twee weken naar Bourgondië.
Daar ging ik volledig los!
Ik vroeg niet alleen waar we goed konden parkeren en wat de parkeerregels waren in die straat, nee, ik vroeg ook of ik ergens geld kon wisselen voor de parkeerautomaat! Ik lachte mee met de twee mannen die – naast de uitgebreide flirtpartij, waarvoor dank – me niet alleen de betaalautomaat aanwezen, maar ook het leukste café van hun stad, inclusief gezellig terras. Tijdens de lunch wisselde ik mijn eerder bestelde toetje tussen ons voor- en hoofdgerecht in van ‘dessert du jour’ naar een chocoladetaartje, omdat ik die plotseling voorbij zag komen.
‘Pas de problème!’
Ook knoopte ik een praatje aan met de vrouw in de winkel waar we een mooie schaal kochten en vroeg haar wanneer en waarom ze met de winkel zouden gaan stoppen vanwege het ‘à Vendre’ bordje op de gevel. In een ijscowinkel vroeg ik aan de eigenaar wat hij me aan zou bevelen qua smaak, op de markt had ik zowaar een gesprek met een oude baas die me hielp iets leuks uit te zoeken en me vertelde dat het die dag erg warm zou gaan worden. Prima weer voor een nieuw bloesje dus.
Op de achterbank van de auto bleef het deze vakantie lang stil.
Een trotse stilte.
Ik voelde het gewoon.
Ja, Jaap – mijn leraar Frans sinds 3 jaar – zweeg vergenoegd. Ik weet het zeker!

franse leraar

Tsja

Op de toilet in ons vakantiehuis hangt Martin Bril.
Niet letterlijk natuurlijk, maar in uitgetypte versie. Niet gekopieerd, niet geprint van een of andere site, nee, uitgetypt.
Vooral dát stukje intrigeert me.
Uitgetypt.
Iemand heeft dus de moeite genomen om zijn columns (in dit geval over Frankrijk) over te typen, in van die doorschijnende mapjes te stoppen en met een touwtje op te hangen in het kleinste kamertje van ons vakantiehuis.
Om vooral maar rustig de tijd in dat kamertje te benutten.
Sowieso is het een boekenhuis. In iedere kamer, in de keuken, op de voorzolder, overal zijn boekenkasten gevuld met boeken. Zowel Franstalige als Nederlandse.
Tussen al die boeken ging ik dus op zoek.
Naar boeken van zijn hand.
Ze waren niet moeilijk te vinden, want een beetje kenner weet hoe de boeken eruit zien.
Handformaat. Pakweg 13 x 18 cm groot, een beetje groot-foto-formaat.
Past in praktisch iedere tas, dus makkelijk mee te nemen. Naar een café, een restaurant of zomaar, de tuin in.
Natuurlijk heb ik de verzameling ook op mijn iPad staan, maar wat is er nu heerlijker dan met een echt boek op schoot je vakantie zien door te brengen.
Tussen de stapel die ik van de bieb heb meegenomen zwerven nu dus ook de boekjes van Bril. Nóg herkenbaarder nu we in het land zijn waar hij zo graag verbleef en menig column uit zijn pen liet vloeien. De schijnbaar simpele stukjes die het leven zo makkelijk weergeven.
Mijn leven ook.
Ieder verhaaltje samengevat in een titel bestaande uit een woord.
Niks geen lange titels voor een column. Nee, een enkel woord moet weergeven waar de column over gaat.
Met mijn ogen dicht soes ik weg in de zon.
Eenvoudig. Maar o zo moeilijk weet ik ondertussen.
Want hoe vaak kan ik mijn stukjes een titel van een enkel woord meegeven die de hele lading dekt?
Ik zucht.
Wat haal ik wel niet in mijn hoofd? Martin was een schrijver. Kreeg ook betaald voor zijn werk. Ik pruts maar wat. Af en toe krijg ik ervoor betaald, maar over het algemeen niet.
Verschil moet er zijn.
Tsja.

BrilinFrankrijk