Tagarchief: Vrijheid

Ma’a Salama

Hij loopt wat verloren tussen de mensen in de drukke winkelstraat. Af en toe probeert hij iemand aan te spreken, meestal drukt hij echter een opgevouwen briefje in de handen van de voorbijgangers. Als ik bij hem kom kijken we elkaar een halve tel recht in de ogen, dan slaat hij snel zijn ogen neer en buigt zijn hoofd. Ook ik krijg een briefje in mijn handen gedrukt en met een snelle blik zie ik dat het geen voordeel-bon is, zoals ik eerst vermoedde.
Een klein meisje lacht me toe vanaf de linkerkant van het blaadje. Aan de rechterkant is een stukje geschreven.

Ik sta even stil en lees de tekst.
De man loopt voorzichtig naar me toe en weer buigt hij zijn hoofd.
‘Dit is mijn dochter’, wijst hij met een zwaar buitenlands dialect. ‘Wij zijn gevlucht, uit Syrië.’
Ik kijk de man aan en nu slaat hij niet zijn ogen neer. Ik zie voorzichtigheid in zijn manier van doen, alsof hij bang is dat ik hem ga slaan.

‘Waar woont u?’ vraag ik.
‘In Breda. Vrouw ook. Samen.’ Hij wijst naar achteren en ik volg zijn vinger.
‘In Breda?’ vraag ik nog een keer.
Hij knikt driftig en vertelt in gebrekkig Nederlands, half Engels en met behulp van veel handen- en voetenwerk over zijn land. Syrië. Het land dat hij nu al 18 maanden ontvlucht is en waar hij van denkt dat hij het nooit meer gaat zien. Hij en zijn gezin woonden in een kleine stad, dichtbij Damascus. Het werd te gevaarlijk voor ze en dus zijn ze weggegaan.
Gevlucht.
Hij hoopt dat zijn dochtertje ooit terug kan naar haar geboorteland en weer wijst hij naar de foto van het lachende kind op het blaadje in mijn hand. Zijn land is mooi, vertelt hij. Er zijn heuvels en geuren.

Dan is hij stil. Ik ook.

‘Wat gaat u met het geld doen?’ vraag ik hem dan.
‘Eten kopen,’ antwoord hij prompt. ‘Iets lekkers voor mijn dochtertje.’
Ik lach en pak mijn portemonnee.
Tot mijn verbazing stapt de man naar achter.
‘No, no,’ schudt hij met zijn hoofd. ‘Ik dank u voor het gesprek. Genoeg.’
Even aarzel ik, dan pak ik wat geld uit mijn portemonnee.
‘Voor een ijsje voor uw dochter,’ knik ik en druk het muntstuk in zijn hand.
De man legt zijn rechterhand op zijn hart en knikt mij toe.
‘Shukran, Salaam alaikum.’ (Vertaling: Dank u wel, God zij met u)
In een reflex leg ik mijn rechterhand ook op mijn hart en antwoord: ‘Alaikum Salaam. Ma’a Salama.’ (Vertaling: En met u. Tot ziens.)
Verrast kijkt de man me aan en ik krijg een brede lach van hem.
Met de hand op zijn hart stapt hij achteruit en verdwijnt tussen de winkelende mensen.

– foto Pinterest –

Advertenties

Drie kleuren lang

Op het gebouw aan de overkant hangt de vlag halfstok. Vanaf mijn werkplek kan ik hem zien wapperen. De drie-kleur tegen een onbewolkte, blauwe hemel. Stilletjes in de zon.
Langzaam golft het rood over het wit, wit over het blauw.
Het hypnotiseert, maakt dat ik blijf kijken.
Minutenlang.
Rood voor al het bloed dat vergoten is in tijden van oorlog. Wit voor het verbleken van elke kleur, met de dood als gevolg. Blauw als teken van onzekerheid, het bedrog, het verraad.
Het ontroert me om deze kleuren halfstok te zien hangen. Het herinnert me aan alle leed van de wereld.
Mensen op de vlucht.
Toen, nu.
Geknakt, maar niet verslagen.
Morgen zal de vlag weer fier in de top zwaaien.
Het rood zal weer stralen als teken van liefde. Het wit zal het onbekende, het nieuwe symboliseren en het blauw de bescherming van de hemel. Er zal gedanst en gezongen worden. Zoals het hoort bij een viering van bevrijding.
Maar vandaag is alles nog even stil.
Drie kleuren lang.

bevrijd

Belofte (uit de oude doos)

Met alle verhalen die ik gisteravond hoorde en waarbij er iedere keer weer kippenvel over mijn hele lijf trok, moest ik denken aan de belofte die ik ooit een oude man maakte.
In de wachtkamer bij de huisarts in onze oude woonplaats.
Uden.
Een dorp waar hevig gevochten is tijdens de oorlog.
Dat op dé route lag.
De route naar bevrijding.
En omdat je beloftes altijd moet nakomen, hierbij dus nóg een keer zijn herinnering aan de oorlog.
Omdat het belangrijk is dat we het blijven vertellen aan elkaar.
Zelfs 70 jaar na de bevrijding.

(uit de oude doos, mei 2011)

‘Tijdens de oorlog zaten de Duitsers daar.’ De man naast mij in de wachtkamer van de huisarts knikt met zijn hoofd in de richting van het raam. Ik volg zijn gebaar en bekijk het majestueuze huis aan de overkant van de straat.
Het is warm en de ramen staan wagenwijd open.
De wind laat de vitrages zachtjes heen en weer wiegen. Bijna slaapverwekkend.
Misschien dat de atmosfeer de herinneringen van de man stimuleren. Hij lijkt zich in ieder geval niet echt bewust van zijn omgeving.
‘Alles hadden ze kapot gemaakt. Echt alles,’ vervolgt hij nadenkend.
‘Ik weet nog dat wij in de tuin speelden voor de oorlog. Ik woonde er niet, hoor,’ haast hij zich te zeggen. Een verontschuldigend lachje komt mijn kant op. ‘Er woonde niet eens een vriendje van me. We speelden er gewoon. Allemaal. Achter de tuin begonnen de kersenboomgaarden. Die droegen overheerlijke kersen, al waren ze niet van ons natuurlijk.’ Zijn blik wordt wat ondeugend nu. ‘Maar ja, zeg maar eens tegen kinderen dat ze geen kersen mogen plukken. Één keer raden wat kinderen dan doen.’
Zijn schaterlach vult de wachtkamer.
‘Toen kwamen de Duitsers. En alles werd kapot gemaakt. Alsof het dan beter oorlog voeren was.’ Verbittering sluipt zijn stem in.
‘Er verdwenen mensen in die tijd. Niet veel hoor,’ haast hij zich. ‘Ik denk dat de meeste Joden in de grote stad woonden. Hier waren de onderduikadressen. Veilig op het platte land. Veilig ja… Huh…
Het huis werd een hoofdkwartier van de vijand. En van spelen achter het huis was geen sprake meer. De oorlog maakte sowieso een eind aan al het spelen…’
Zijn stem sterft weg in de lome warmte van de wachtkamer.
Verontschuldigend kijkt hij me aan.
‘Verveel ik je?’
Ik knik nee en merk dat hij inderdaad mijn aandacht flink te pakken heeft.
‘Weet u er nog veel van?’ moedig ik hem aan.
Oudste is ondertussen op mijn schoot geklommen en hangt tegen me aan met zijn duim in zijn mond.
De blik van de man dwaalt even af naar de krullenkop van oudste en olijk knipoogt hij naar hem.
‘De herinneringen van een oude man zijn misschien oud maar nog steeds helder!’ grapt hij.
Een donkere schaduw trekt over zijn gezicht.
Ik lach en oudste kijkt hem onderzoekend aan.
Zijn blik dwaalt weer af naar het pand aan de overkant van de straat.
‘Als dat huis eens kon praten…’ mompelt hij.
Zachtjes schudt hij met zijn hoofd en ongemerkt recht hij zijn schouders.
De deur van de wachtkamer gaat open. ‘Oudste?’ De huisarts knikt ons vriendelijk toe.
Ik sta op en pak de hand van oudste. Samen lopen we met de huisarts mee. Ik vind het bijna jammer dat ik niet meer te horen krijg van deze oude baas.
Als ik bij de deur ben draai ik me nog even om. ‘Dank u wel voor het verhaal,’ knik hem toe.
Verrast kijkt hij me aan. ‘Vertel het maar door,’ antwoord hij. ‘Oorlog, angst en verdrukking is iets verschrikkelijks. Laat je nooit wijsmaken dat het ook iets romantisch had.’
ik knik hem vriendelijk toe en stap de onderzoekskamer van de huisarts in met oudste.

Bij deze dus.

vrij