Cijfertjes

Op de lagere school had je van die sommen waar ik geen bal van snapte.
Zoiets van: Jan en Toos hebben een kist met 50 appels. Ze rijden naar Jos, die 30 kilometer verderop woont. Onderweg eten ze beiden twee appels. Ze komen Joris tegen op 3 kilometer voor het huis van Jos. Hem geven ze vijf appels voor zijn kinderen.
Vraag: hoeveel appels krijgt Marie?

Marie?? Waar kwam die nu weer vandaan? En wat deed Joris in ‘s-hemelsnaam op de route naar Jos?
Slapeloze nachten kreeg ik van dit soort rekenkundige verhaaltjes.

Op de middelbare school ging ik dus met lood in mijn schoenen naar mijn wiskundeles. Dit zou een jarenlang drama worden, bedacht ik me somber.
Groot was de verassing dat ik gewoon goed was in wiskunde! Goed? Ik was gewoonweg (*kuch*) de beste van de klas!
Stelling van Pythagoras? Ik vond het zo logisch als wat! Net als al die stelsels, die voor mij gewoon een kwestie van goed invullen waren om tot de juiste oplossing te komen. Logica bleek my middle name. Op mijn eindlijst prijkte dus een mooie 9.

Op dit moment hebben de cijfertjes ons allemaal weer volledig in de ban.
In van die raadselachtige verhaaltjes.
Iedere volwassene heeft 150 – 450 miljard bloedplaatjes per liter bloed. 50 miljard is de absolute ondergrens. Dan hebben we extra bloedplaatjes nodig in de vorm van plasma-transfusie.
Onder de 10 miljard wordt het kritiek. Inwendige bloedingen worden een reëel gevaar, met alle gevolgen van dien.
Middelste heeft op dit moment iedere drie dagen zo’n slordige 5 tot 8 miljard bloedplaatjes per liter bloed.
Dramatisch laag!
En dus hangt er iedere 3-4 dagen een zak bloedplasma aan zijn arm om de boel weer een beetje op peil te krijgen tot een aanvaardbaar level.
Vraag: wat is hiervan de oorzaak?

Ik ben krampachtig op zoek naar de wiskundelogica van de middelbare school, maar iedere keer beland ik weer in de nachtmerrie van de lagere school in de vorm van dit onoplosbare raadsel.

Iemand goed in redactiesommen?
Ik hou me graag aanbevolen voor de oplossing!!

rekenen

Tijgermama

Met zijn vierentwintig jaar is middelste natuurlijk een volwassen man. Een jongeman, maar toch… Het woord volwassen valt niet meer te ontkennen. Hij mag stemmen, heeft zijn rijbewijs en kan een huis kopen als hij dat zou willen.
Eigenlijk niets meer over te zeggen als moeder dus.
En toch bevond ik me een week geleden ineens in een situatie waarbij leeftijd wegviel. Waarbij alle geldende ‘regels’ vervaagden tot niets.
Hij was kind, ik was moeder. Een woedende moeder.
Niet op mijn kind, niet op de situatie waarin hij zich bevindt, nee, ik was furieus op de artsen van een ondergeschikt ziekenhuis, die zich meenden te moeten bemoeien met de manier van zijn voorgestelde behandeling door een Academisch ziekenhuis.
Doodleuk gaven ze middelste, na het bepalen van een wederom veel te lage bloedwaarde, de boodschap: ‘Tja, de bloedplaatjes zijn wel weer heel erg aan de lage kant, maar we geven nu geen transfusie. Het heeft toch allemaal geen zin bij jou. Alles wordt weer afgebroken…’
Het heeft geen zin?
Het heeft GEEN ZIN?
Pardon? Wie bent u om dit te bepalen? Afspraak was: Radboud ziekenhuis is behandelend ziekenhuis, u hoeft alleen maar te prikken om te waarden te bepalen, een berekening te maken van de toe te voegen transfusie, deze te bestellen en vooral toe te dienen!
Het gebeurt me niet vaak, maar áls ik boos word… berg je dan maar! En als het om één van mijn kinderen gaat, dan sta je eigenlijk ten dode opgeschreven. Dan is er geen houden meer aan.
En dus hing ik niet veel later na deze uitspraak aan de telefoon bij het Radboud.
Daar schrokken ze.
Negen is een waarde die acute transfusie vereist. Deze waarde kan leiden tot inwendige bloedingen met alle gevolgen van dien.
En dus ging er een transfusie in de volgende dag en was de uitspraak ‘Het heeft toch geen zin’  veranderd in: ‘Al moeten we je iedere dag een transfusie geven, dan doen we dat’.
En dus gaat alles nog steeds door in de frequentie die is afgesproken met het behandelend ziekenhuis.
Langzaam vervaagt wel de hoop dat het lijf zich zelf zal herstarten of dat een virus de boosdoener is.
Maar we gaan er wel doorheen komen.
Hij en wij.
Voorlopig trek ik me weer even terug in mijn hol, met een wakend oog geopend.
Ze moeten van goede huizen komen om iets met één van kinderen te doen, volwassen of niet.
Grrrr….

tijgerin

Toen geluk nog heel gewoon was…

De laatste tijd dwalen mijn gedachten vaker dan normaal af naar vroeger. Naar de tijd dat het leven nog eenvoudig leek.
Dat er geen gekke dingen waren waar ik me grote zorgen over hoefde te maken. Geen enge ziekten die door het hoofd heen spoken, alleen maar de vraag of we vanavond bloemkool zouden moeten eten met een worst erbij, of dat spaghetti makkelijker zou zijn in verband met de vele sportactiviteiten die nu eenmaal rondom de kinderen gepland moeten worden.
Waren de voetbalshirtjes nu wel of nog niet gewassen? Wanneer was ook alweer de ouderavond? En dat feestje van jongste, zouden we nu wel alle acht de meiden laten slapen bij ons of toch maar naar huis met het hele stel?
Vragen waar ik toen gerust een dag of drie over kon piekeren en die nu zo totaal onbelangrijk lijken.
Na het eten nog een emmer kikkers vangen leek toen niet zo’n goed idee. Nu roep ik: doe maar drie emmers. Of, nog beter, vier emmers! Wat maakt het uit? We zetten ze wel weer terug in de vijver als je weer lang en breed in bed ligt.
Schoongepoetst gezicht, geschaafde knieën, rode wangen van het buitenspelen.
Één en al gezondheid.
Toen, jaren geleden.

Deze dagen betrap ik mezelf er regelmatig op dat ik een intens bleek en smal gezicht onderzoekend opneem. Waren die donkere kringen onder zijn ogen vorige week nu ook al zo zwart of is het écht erger geworden?
‘Hoe voel je je, middelste? Ben je erg moe?’
Ik wil niet overbezorgd klinken, doe ook echt mijn best om vrolijk te zijn. Het lukt me maar half…
Het lange, magere lijf met al die blauwe plekken baart me zoveel zorgen.
Overdag gaat het nog wel, maar in de donkerste uurtjes van de nacht kom ik mezelf weer tegen. Het monster van angst en verdriet besluipt mijn lijf en overvalt me op het moment dat ik misschien het meest kwetsbaar ben.
Dan wil ik niet meer verder met dit moment. De tijd moet stop gezet worden, of nog liever: teruggedraaid!
Naar de tijd van Sesamstraat, natte haartjes op de bank. Verhaaltjes lezen voor het slapen gaan. Mopperen over de drie voetballen die wéér niet opgeruimd zijn, net als de knikkers, voetbalschoenen en tassen die overal in de slaapkamers en gang slingeren. Fietsen kris-kras door de schuur, waardoor ik niet bij mijn eigen fiets kan… Met z’n allen gekke bekken trekken voor de badkamerspiegel. Meer sop in het bad dan water.

Terug naar de tijd dat het leven nog eenvoudig was en geluk heel gewoon.

Was het maar zo simpel.

heimwee

Nachtmerrie

Ik droomde vannacht dat ik aangevallen werd door een slang. Dreigend liet hij af en toe zijn tong sissen terwijl zijn lijf de mijne omarmde. Ik durfde niet te gillen, bang dat ik hem nog bozer zou maken en dat hij zou toeslaan. Tegelijkertijd bekroop me een gevoel van verstikking. Hoe moest ik nu iemand waarschuwen?
Voorzichtig zette ik stapjes in de richting van een ruimte waar ik mijn lief vermoedde. Af en toe keek de slang me met toegeknepen ogen aan en hield ik even stil. Zijn lijf kronkelde verder en verder, over mijn armen, mijn hals. Koude schubben schuurde mijn wangen en langzaam drong het tot me door dat dit weleens het eind kon zijn… Ik ging stikken.
Plotseling viel zijn kop van zijn lijf en lag hij mij vanaf de grond giftig aan te kijken, zijn tong nog steeds boos flitsend in mijn richting. Gillend rukte ik de resten van zijn lange lijf van me af en zette het op een rennen.
Hard en snel.
Toen struikelde ik en voelde het lijf van de slang weer langs mijn benen strijken.
Badend in het zweet en volledig verkrampt schrok ik wakker. De tranen stroomden over mijn wangen. Net op tijd haalde ik de wc en leegde mijn maag. Met trillende handen waste ik mijn gezicht en zocht naar mijn eigen ogen in de spiegel.

En weer kwamen de tranen.

Was het echt pas een week geleden dat ik nog van niets wist? Was het echt pas een week geleden dat al mijn kinderen gezond en wel uit eigen voordeur stapten, onderweg naar werk, vriend of vriendin?
Langzaam begon de film zich opnieuw af te spelen in mijn hoofd.
Middelste, die precies een week geleden aan het eind van de dag belde. ‘Mam, ik lig in het ziekenhuis. Het is niet goed met mijn bloed… Ze denken aan acute leukemie of iets anders engs. Maandag moet ik een beenmergpunctie laten doen in Nijmegen.’

Ergens, een week geleden stond mijn wereld stil.

Twee uur later zaten we naast zijn ziekenhuisbed en keken toe hoe een zak bloedplaatjes zijn lichaam in werd gepompt. Zijn armen en benen meer zwart dan blauw in een strak opgemaakt bed.
Zaterdag mocht hij naar huis, zijn bloed voldoende opgekrikt om het weekend te overbruggen zodat hij maandag zich nog levend en wel kon melden bij het Radboud Ziekenhuis.
Ook daar werden de woorden ‘acute leukemie’, ‘auto-immuunziekte’, ‘onbekend virus’ niet geschuwd, terwijl de tweede zak bloedplaatjes zijn werk weer moest doen voor hem. Tijdens de beenmergpunctie omklemde ik stevig zijn handen, terwijl mijn ogen de zijne niet meer loslieten. Sinds lange tijd droogde ik zijn tranen en maakte sussende geluidjes toen de pijn eventjes te heftig werd. Niet alleen beenmerg, maar ook een stukje bot werd geoogst.
Donderdag uitslag. Donderdag start van behandeling, hoe dan ook…

Donderdag kwam en nadat het bloed weer gecontroleerd was (voor de derde keer een bloedtransfusie…) was het gesprek met de behandelend arts.
Geen acute leukemie! Geen Aplastische Anemie!
Opluchting maakte echter snel plaats voor grote bezorgdheid. Want wat was het dan wel?
De artsen, het medisch team en andere specialisten konden het ons (nog) niet vertellen. Misschien een gek virus (in het beste geval), misschien een andere auto-immuunziekte (in het ergste geval).

‘Behandeling’ bestaat voorlopig even uit twee maal per week bloedprikken, met mogelijk een bloedtransfusie als gevolg. En dan maar hopen dat de eerste optie werkelijkheid wordt en zijn lichaam uiteindelijk de functie van het beenmerg herkent en weer gaat overnemen. Mochten de waarden na twee maanden niet voldoende hersteld zijn dan volgt de tweede beenmergpunctie voor vergelijkend onderzoek. In het ergste geval zakken de bloedwaarden in de komende weken beneden het nu al ‘slecht’ en zitten we eerder met hem in Nijmegen.

Tot zover de (on)zekerheid.

Mag ik alsjeblieft wakker worden uit deze nachtmerrie?
Ik deal wel (in plaats van mijn kind) met een echte gifslang…!

handen2

Stoer wijf (epiloog)

‘Ik ben nu al benieuwd naar je volgende aflevering!’
Het was een klein berichtje op mijn LinkedIn pagina van een collega als reactie op mijn eerdere berichten over hoe stoer ik me voelde na een lunch in mijn eentje op een terras in een vreemd land en mijn bergwandeling-avontuur.
Ik moest daar even over nadenken. Want, heel gek, wat voor een eerste keer heel stoer en onwennig kan lijken, is na een paar keer alweer een beetje gewoon.
Natuurlijk moest ik mezelf nog steeds over een drempeltje heen helpen als ik iets ging ondernemen de rest van die Oberammergau-week, maar dat had steeds te maken met het gevoel dat het met z’n tweetjes nu eenmaal gezelliger is dan in je eentje. Laten we eerlijk zijn, na een paar keer wat tegen mezelf gezegd te hebben was ik de eeuwige instemming wel een beetje beu. Ik vind het gewoon leuk om hele dagen te kletsen, te filosoferen met andere mensen en urenlang te bomen over van alles en nog wat.
Het hield me echter niet tegen om daarom maar in de tuin te blijven hangen.
Ik stapte dus op dag vier in de auto en reed naar Sloß Linderhof. Eenmaal aangekomen besloot ik mezelf op een rondleiding te trakteren en dus sloot ik aan bij een groep Fransen, Duitsers en Engelsen. Het grappige van Nederlander zijn is wel dat we meerdere talen spreken, dus toen ik de Duitse dochter tegen haar moeder hoorde zeggen dat ik waarschijnlijk alleen onderweg was en dat ze dat best wel zielig vond, moest ik glimlachen.
Zielig was misschien wel het laatste woord dat ik voor mezelf in gedachte had!
Op mijn gemak zwierf ik na de rondleiding door de tuinen. Heerlijk om kleine paadjes in te lopen, kleine dingen te fotograferen zonder dat er iemand op mij aan het wachten was.
Zo’n dikke twee uur later stapte ik weer in de auto en besloot: ik rijd door naar Garmisch Partenkirchen.
De stad is niet geheel onbekend en in de bergen rijden is gewoon leuk, dus… waarom niet?
De soep en het biertje smaakte die middag nog beter dan de eerste, onwennige dag. De zon scheen en ik leunde ontspannen achterover.
Ik overdacht deze bijzondere week en kon niet anders dan tot de conclusie komen: ik kan prima met mezelf overweg. Ik vind het gezellig met een ander erbij, maar ook alleen vermaak ik me prima.
Dat is toch een hele geruststelling!

woman

Druppelsgewijs

Mijn eerste (gast)column voor ‘Hoe vrouwen denken’!

Met nog maar een kleine vierhonderd kilometer te gaan, schenk ik mezelf een tweede glas verse jus d’orange in en pik nog even snel een versgebakken broodje met roerei mee naar de ontbijttafel. De ontbijtjuffrouw houdt vragend de koffiekan omhoog en ik knik snel. Heerlijk, nog even die verwennerij voordat we echt aan het laatste gedeelte van onze terugreis gaan beginnen!
Na een derde kop koffie is het dan toch tijd.
Mijn lief duwt me naar de hotelkamer en niet veel later lopen we de trap af. Terwijl mijn lief afrekent schiet ik nog even snel de wc in. Zo’n ontbijt is niet alleen gewicht voor het lijf, maar zeker ook voor mijn blaas.
Als we tien minuten later onderweg zijn vraag ik mezelf af of ik nu echt wel goed heb uit geplast. Het voelt allemaal nog zo… vol.
Na een half uur verlaten we de bochtige wegen en draaien een wat bredere weg op.
‘Eh, moeten we nog tanken?’ vraag ik.
‘Niet echt. Maar misschien kunnen we het wel even doen, de Diesel is hier goedkoper dan bij ons. De tank kan maar vol zijn. Hoezo?’ Mijn lief kijkt me onderzoekend aan.
‘Nee, niets. Dat bedacht ik me ook,’ antwoord ik. Ik draai even van mijn linker- op mijn rechterbil.
Mijn lief draait het eerste tankstation in dat we tegenkomen.
De rollen zijn goed verdeeld: hij tankt, ik reken af. En ik ga nog even plassen.
Bij het afrekenen krijg ik een flesje bruiswater mee. ‘Actie van de dag,’ lacht de man. Ik lach terug en draai de dop van de fles zodra ik weer op de passagiersstoel plaats neem.
‘Actie van de dag,’ knik ik. ‘Lekker! Heeft een vleugje framboos.’
Een uur lang praten we en zingen vooral mee met de muziek op de radio. Omdat ik het niet kan laten swing ik wat mee. Langzaam voel ik de druk toenemen. Met een schuin oog kijk ik naar mijn waterflesje. Bijna leeg…
Oeps
Ik durf bijna niets te zeggen. Op het moment dat we een Raststätte voorbij rijden kreun ik: ‘Ik moet eigenlijk wel plassen… Kunnen we bij de volgende mogelijkheid misschien even stoppen?’
Mijn lief kijkt me verbaasd aan.
‘We rijden net… Nou ja, laat maar. Ik hoop voor jou dat we nog iets tegenkomen nu, maar ik ben bang dat je moet wachten tot we bij de grens zijn, hoor.’
Ik knik en bijt even op mijn onderlip. Ik moet nodiger dan ik denk…
Het duurt inderdaad nog vele kilometers en pas in Nederland draaien we de parkeerplaats van een MCDonalds op. Voorzichtig stap ik uit. Niet gaan druppelen nu…
Tien minuten later stap ik opgelcuht de auto in. Nog maar 80 kilometer te gaan!
Eenmaal thuis loop ik linea recta naar mijn eigen toilet.
‘Help je niet eerst even met de tas… Laat maar,’ roept mijn lief dan.
We zijn thuis!
Druppelsgewijs.

plassen

Stoer wijf (2)

In navolging op mijn eerste stoere actie, besloot ik mezelf nét iets verder uit te dagen. Want hoe zou het nu zijn als ik alléén de bergen in zou gaan? Met rugzak en kaart? Het leek me niet alleen spannend, maar ook erg leerzaam!
Ik stippelde de route thuis tot zes keer uit. Na een uur kende ik hem praktisch uit mijn hoofd, maar ik weet ook dat je tijdens het wandelen soms voor verrassingen kan komen te staan. Weggetjes die alleen op héél gedetailleerde kaarten ingetekend zijn, bomen die door bliksem getroffen zijn en dwars over de weg liggen (en andere bomen met zich mee hebben gesleept in hun val) tot DAV-bordjes die op de grond liggen in plaats van dat ze de weg aanwijzen.
Ik keek nog eens een keer naar de tattoeage op mijn voet en besloot: ik ga! (Alis volat propriis)
Om 10.00 uur liep ik dus met mijn rugzak langs de weg. Ik moest eerst 4 km naar Unterammergau lopen om daar de echte route op te pakken. Deze 4 km had ik nodig om in een ritme te komen, mensen te negeren die mij ietwat verbaasd aankeken. (‘Grüss Got. Ja, ich bin auf meinem eigenen…’)
In Unterammergau volgde ik de bordjes: Schleifmühlklamm. Al eerder liepen lief en ik met de kinderen door de Partnachklamm, onderweg naar onze eerste hut van een huttentocht, dus dit moest toch te doen zijn. Hij staat namelijk als ‘lichte wandeling’ gemarkeerd. Bij de Klamm aangekomen begon het grote genieten. Al snel vergat ik dat ik alleen was, water in de bergen kan overweldigend zijn!
De onzekerheid begon toen ik de Klamm uitkwam. Moest ik nu links of rechts? Op de kaart was ik al een beetje de weg kwijt kwijtgeraakt en bordjes waren nergens te vinden. Lichte paniek drong mijn lijf binnen. Links? Rechts? Toch links? Denk na, Joolzz. Denk na!
Na een diepe ademhaling zag ik dat de weg links naar beneden ging. Da’s veilig. Rechts ging verder de bergen in. Volgens mij was dat de route die ik uitgestippeld had… Langzaam draaide ik me dus naar rechts en ging verder omhoog. Geen idee of dit goed was.
In de verte zag ik drie wandelaars lopen, dezelfde kant op als ik nu ging. Ik zou in ieder geval niet alleen zijn, monterde ik mezelf op. De voorzichtige stappen gingen over in vastberaden. Nu niet mezelf gek maken, het zou best goed komen!
Na 40 minuten kwam ik bij een kruising waar de route plotseling stond aangegeven. Ik had zowaar de juiste keuze gemaakt!
Opgelucht volgde ik de weg, verder de bergen in.
We gingen steeds hoger, de paden werden steeds smaller… Wist ik dit wel zeker?
Echt, in je eentje kan je veel te veel nadenken over allerlei zaken die fout zouden kunnen gaan, maar waarschijnlijk gewoon goed zijn.
*driedubbele zucht*
Aan het eind van het pad had ik de drie wandelaars ingehaald en stond ik voor een hek. Achter het hek een splitsing. Links of rechtdoor en… geen bordjes!
Allemachtig.
Ik raadpleegde de kaart nog maar eens een keer en twijfelde. Stond ik nu bij díe splitsing of bij die andere??
Alsof het zo moest zijn voegden de drie zich bij mij op het moment dat er een wandelaar van de andere kant afkwam. Ook de drie bleken onzeker over de route. Het antwoord van de vrouw (alleen op pad! Hoezee!!) op de vraag waar ze vandaan kwam en wat de route naar de Kolbensattelhütte was werd door ons vieren met een diepe zucht ontvangen. We zaten nog steeds goed!
Beide kanten bleken bij de hut uit te komen.
De drie gingen links, ik rechtdoor.
Zachtjes begon het te spetteren.
Ook dát nog! Waarom wilde ik ook alweer zo stoer zijn…?
Na nog eens drie kwartier klom ik een laatste nogal steile hoogte over en met het zweet op mijn voorhoofd doemde de hut plotseling voor me op. Spelende kinderen, een terras vol mensen aan het bier, het kwam me allemaal wat surrealistisch over.
Weg was de stilte, weg was de route met als enige geluid mijn voetstappen en mijn ademhaling.
Ik ging op een steen zitten en liet het even op me inwerken.
Radler… Kaiserschmarren… ik had er eigenlijk wel zin in!
De weg naar beneden besloot ik ook lopend af te leggen. Geen kabelbaan zoals ik eerst van plan was.
En plotseling had ik een antwoord op de vraag die de hele dag al door mijn hoofd spookte: ‘Neem ik wel de juiste weg? Bestaat er zoiets als ‘de juiste weg’? Of is er alleen maar De Weg?’
Man, man, man, ik werd er filosofisch van!

wandeling klamm1  wandeling klamm2  wandeling klamm3