Onmiddellijk

Bij ons op de basisschool hadden we zo’n juf die inviel op de momenten dat er eens een keer een leraar of lerares ziek was. Ook was zij degene die de hele klas voorbereidde op de Heilige communie en het vormsel. Ze verleidde kinderen om in het kinderkoor te gaan zingen om zo ook op een bepaalde manier zeker te zijn dat het jongerenkoor van de kerk te zijner tijd gevuld zou worden met diegene die te oud werden om met heldere kinderstemmetjes het ‘Gloria in Excelcis Deo’ ten gehore te brengen in de zondagsmis.

Deze juf had ook de taak om in de zesde klas zorg te dragen voor de les: seksuele voorlichting.
Dagenlang werd er over gegiebeld door de meisjes van de klas en het kan aan mijn verbeelding liggen, maar de jongens liepen in die periode nét iets stoerder door de gangen. Alsof zij de reden van alle ophef waren.

De leerkrachten van die tijd lieten dat graag aan haar over. Misschien omdat ze het zelf niet aandurfden om dertig paar ogen nieuwsgierig op zich gericht te krijgen, de schaamte ten top. Hoe moesten ze een uur na die voorlichting nog op een rustige manier uitleggen dat de stad waar wij woonden zoveel meter onder de zeespiegel lag, dat we allemaal zouden verdrinken als de dijken zouden doorbrengen als ze een uur daarvoor nog hadden voorgedaan hoe je je met een condoom kon beschermen tegen zwangerschappen?

Goed. De juf dus.

Deze juf had een hartstochtelijk gevoel bij het woord: onmiddellijk.
Nog steeds als ik dit woord moet schrijven hoor ik haar reclameren: ‘On-mid-del-lijk!! Met twee D’s en twee Ellen. Nooit vergeten!!’
Nog steeds zie ik haar het woord met een krijtje met enorme koeienletters op het zwarte schoolbord schrijven. De twee D’s en Ellen dik onderstreept en met dubbele uitroeptekens erachter, maakte dat ik me bewust was van de belangrijkheid van het woord.

Onmiddellijk.

De laatste jaren trek ik steeds vaker mijn wenkbrauwen op als iemand tegen mij zegt dat hij (of zij) het liefst onmiddellijk antwoord willen krijgen op de gestelde vraag of het verzoek om iets gedaan te krijgen. Die juf van toen leeft wat mij betreft iets teveel door in mijn huidige leventje.
En dus doe ik al tijden aan yoga, mediteer ik iedere ochtend zo’n tien minuten voordat ik echt aan de dag ga beginnen.
Wat heeft het tenslotte voor zin om alles direct te doen als er ook nog een morgen is?
Ik wil meer rust in mijn hoofd en mijn lijf.

En wel onmiddellijk.

– Foto: Robert Doisneau –

Advertenties

Teckel Teun

Bijna acht maanden geleden stond het leven van teckel Teun volledig op z’n kop. Z’n grote broer was te ziek om nog verder te leven. En hoe graag we hem ook heel veel langer bij ons wilden houden, het was vele malen beter voor hem dat we de moeilijkste beslissing maakten die je als baasje mag maken.

De dierenarts kwam op een zonnige woensdagmiddag en al na het eerste prikje om hem rustig te krijgen sloot hij zijn ogen. En zijn hart…
Teun was ontroostbaar. Nachtenlang huilde hij als een kleine wolf. Met hem huilden mijn lief en ik, maar wel samen in de grote bench. Teun lag alleen en kon het niet aan. Zijn leven lang lag hij opgekruld tegen zijn grote broer en nu was het koud en eenzaam op zijn slaapplek.
En dus kreeg meneer een nieuw (klein) mandje en verhuisde ‘s-nachts met ons mee naar de slaapkamer.

Net gewend aan het enig hondje zijn, pakte de grote baas zijn legerkisten in om voor zeven maanden naar het buitenland te verhuizen.
Daar zat hij dan. Opnieuw achtergelaten door iemand waar hij zo veel aan hangt.
Alleen met het vrouwtje, die de baas misschien nog wel erger mist dan hij.

Zeven dagen in de week ligt hij nu ‘s-avonds naast het vrouwtje op de bank. Zeven dagen in de week sleept hij zijn botje van de bank naar zijn mand en weer terug naar de bank om daar aan mijn voeten te gaan liggen knagen. Zeven dagen in de week houdt hij de wacht en blaft iedere duif de tuin uit. Zeven dagen in de week laat hij mij een paar keer per dag uit. Zeven dagen in de week slooft hij zich uit met z’n balletje om mij, zijn vrouwtje, aan het lachen te maken en zeven nachten in de week ligt hij tevreden te ronken in zijn mandje naast mijn bed.

Teckel Teun en ik, we zijn een onafscheidelijk stel geworden.
Het liefst nam ik hem ook gezellig mee naar mijn werk, maar dat is misschien teveel van het goede.

– Foto Gwennie Benjamins –

 

Tijd

Een jaar geleden verzuchtte ik regelmatig: als ik toch maar eens eventjes in de toekomst kon kijken! Heel eventjes maar. Alleen maar om te zien of het allemaal wel goed zal gaan. Om te weten dat de stamceltransplantatie van middelste ook echt gelukt is en dat hij nog leeft.  Dan zou ik nu met heel veel meer vertrouwen de behandeling tegemoet zien.

Angst en onzekerheid zijn misschien wel de stille slopers van ons bestaan. Je hoopt op het beste, tegelijkertijd probeer je rekening te houden met het allerslechtste scenario. En je weet: daar kan ik me niet op voorbereiden. Daar dúrf ik me niet op voor te bereiden…

En moet je nu eens kijken waar we staan. We zijn inderdaad een jaar verder in de tijd en middelste floreert. Het magere jongenslijf heeft plaatsgemaakt voor een volwassen mannenbody. De bloedwaarden – waar we een jaar geleden moedeloos van werden – zijn gestegen tot meer dan acceptabel.
Vanmiddag stuurde middelste een berichtje in onze gezinsapp dat hij in de wachtkamer bij de huisarts zat te wachten om zijn eerste babyinenting (DKTP) te ontvangen.

Een jaar verder in de tijd.
We hadden het veel slechter kunnen treffen…

Ma’a Salama

Hij loopt wat verloren tussen de mensen in de drukke winkelstraat. Af en toe probeert hij iemand aan te spreken, meestal drukt hij echter een opgevouwen briefje in de handen van de voorbijgangers. Als ik bij hem kom kijken we elkaar een halve tel recht in de ogen, dan slaat hij snel zijn ogen neer en buigt zijn hoofd. Ook ik krijg een briefje in mijn handen gedrukt en met een snelle blik zie ik dat het geen voordeel-bon is, zoals ik eerst vermoedde.
Een klein meisje lacht me toe vanaf de linkerkant van het blaadje. Aan de rechterkant is een stukje geschreven.

Ik sta even stil en lees de tekst.
De man loopt voorzichtig naar me toe en weer buigt hij zijn hoofd.
‘Dit is mijn dochter’, wijst hij met een zwaar buitenlands dialect. ‘Wij zijn gevlucht, uit Syrië.’
Ik kijk de man aan en nu slaat hij niet zijn ogen neer. Ik zie voorzichtigheid in zijn manier van doen, alsof hij bang is dat ik hem ga slaan.

‘Waar woont u?’ vraag ik.
‘In Breda. Vrouw ook. Samen.’ Hij wijst naar achteren en ik volg zijn vinger.
‘In Breda?’ vraag ik nog een keer.
Hij knikt driftig en vertelt in gebrekkig Nederlands, half Engels en met behulp van veel handen- en voetenwerk over zijn land. Syrië. Het land dat hij nu al 18 maanden ontvlucht is en waar hij van denkt dat hij het nooit meer gaat zien. Hij en zijn gezin woonden in een kleine stad, dichtbij Damascus. Het werd te gevaarlijk voor ze en dus zijn ze weggegaan.
Gevlucht.
Hij hoopt dat zijn dochtertje ooit terug kan naar haar geboorteland en weer wijst hij naar de foto van het lachende kind op het blaadje in mijn hand. Zijn land is mooi, vertelt hij. Er zijn heuvels en geuren.

Dan is hij stil. Ik ook.

‘Wat gaat u met het geld doen?’ vraag ik hem dan.
‘Eten kopen,’ antwoord hij prompt. ‘Iets lekkers voor mijn dochtertje.’
Ik lach en pak mijn portemonnee.
Tot mijn verbazing stapt de man naar achter.
‘No, no,’ schudt hij met zijn hoofd. ‘Ik dank u voor het gesprek. Genoeg.’
Even aarzel ik, dan pak ik wat geld uit mijn portemonnee.
‘Voor een ijsje voor uw dochter,’ knik ik en druk het muntstuk in zijn hand.
De man legt zijn rechterhand op zijn hart en knikt mij toe.
‘Shukran, Salaam alaikum.’ (Vertaling: Dank u wel, God zij met u)
In een reflex leg ik mijn rechterhand ook op mijn hart en antwoord: ‘Alaikum Salaam. Ma’a Salama.’ (Vertaling: En met u. Tot ziens.)
Verrast kijkt de man me aan en ik krijg een brede lach van hem.
Met de hand op zijn hart stapt hij achteruit en verdwijnt tussen de winkelende mensen.

– foto Pinterest –

Bouwvrouw

Iedere ochtend, als ik de gordijnen openschuif, springt onze hond tegen me op. Hij wil opgetild worden. Vanaf die plek heeft hij een geweldig uitzicht over de straat en kan hij alles in de gaten houden. Ik kijk met hem mee, want niets is leuk dan samen de straat in te kijken terwijl het leven van die dag langzaam op gang komt.

De krantenjongen, klaar van zijn ronde, fietst regelmatig voorbij als wij daar zo staan. In de afgelopen weken heeft zijn wollen muts plaats gemaakt voor een pet. Niet recht op zijn hoofd geplaatst, niet achterstevoren, maar altijd wat schuin. Zijn hoofd beweegt mee op, wat ik vermoed, de muziek die hij door zijn oortjes beluisterd.

De buurman van verderop loopt voorbij met hun hond. Aan het uitrekken van de nek van Teun merk ik dat hij eraan komt. Hij ziet het eerder dan ik.

Ik kijk liever naar de werklui die het huis van de overburen in de afgelopen maanden volledig hebben gestript en opnieuw opgebouwd. Mannen met baarden kwamen en werden weken later vervangen door mannen zonder tanden. Of in ieder geval de helft van hun gebit.
Ergens in de laatste weken werd er een nieuw element aan de groep toegevoegd.
Tussen al die grote mannen, met handen als kolenschoppen, loopt sinds een dag of tien een vrouw rond. Ze zegt niet veel, ze pakt haar spullen uit de auto en loopt naar binnen. Voorbij de mannen die haar af en toe toeknikken, maar geen woord met haar wisselen.
Ze rookt niet een sigaretje mee met de bouwmannen, drinkt haar koffie misschien al thuis en gaat aan de slag als ze bij het huis aankomt. Vaak is dat de enige glimp die ik van haar zie. De mannen lopen heen en weer, zij lijkt opgeslokt door het huis.

De afgelopen twee dagen was ik thuis. En toen zag ik haar plotseling wat vaker. Rond koffietijd zat ze buiten, een grote mok in haar ene, een sigaret in haar andere hand. Links van haar zaten een paar mannen te praten met elkaar. Zij bestudeerde een bouwtekening , samen met twee anderen. Met haar pink wees ze iets aan op het blad, terwijl ze haar ogen eventjes dichtkneep om de rook van haar sigaret te ontwijken. De twee mannen knikten instemmend. Een van hen pakte een potlood en maakte een aantekening.
Een laatste slok van haar koffie, de sigaret was ook bijna op.
Toen stond ze op en ving mijn ogen.
Met een grote glimlach knikte ze me toe en ging weer aan het werk.
De bouwvrouw aan de overkant van mijn huis.

– Foto Pinterest –

Souk (سوق)

Ik zit op een muurtje en kijk naar de bedrijvigheid om me heen. De kleine, donkere straatjes van de Souk (سوق) in het oude centrum van Jeruzalem bieden maar nauwelijks ruimte om met z’n drieën naast elkaar te lopen. De behendigheid waarmee de mensen in dit gedeelte van de Souk om elkaar heen ‘dansen’ heeft iets grappigs. Het gaat altijd goed en maar zelden botsen de mensen tegen elkaar aan.

Het pleintje waar ik nu zit geeft even wat frisse lucht en ruimte en dus is dit een prima plek om rustig te kijken naar wat er om ons heen gebeurt en waar we naar toen moeten straks.
Het is Sjabbat en we stonden zojuist voor de gesloten poorten van het Joodse gedeelte van de oude stad. Israëlische soldaten stuurden ons met een nors gebaar terug. Mijn vriendelijke lach werd niet beantwoord en geschrokken was ik snel teruggelopen naar daar waar we vandaan kwamen.

Ik moest weer denken aan het pompstation waar we die ochtend onze tank van de auto vol wilden gooien. Van mijn lief had ik al begrepen dat dit bij Joodse tankstations nog weleens stroef kon verlopen, maar dat we maar een aantal liter mochten tanken omdat we niets Joods waren had ik niet verwacht. Het stond zo in schril contrast met mijn ervaringen bij de tankstations in het Palestijnse gebied. Daar werd er een paar dagen ervoor nog op mijn raampje getikt door een man toen mijn lief naar binnen was gelopen om te betalen. Nadat ik mijn raampje had open gedraaid hield de man vragend een koffiekan omhoog met een klein, kartonnen bekertje ernaast. Ik knikte ja, want mijn Arabisch is niet zo ontzettend goed. De man had mijn bekertje vol geschonken met het stroperige, Arabische goedje en was toen vriendelijk lachend terug naar binnen gelopen.

Toen mijn lief met zo’n zelfde bekertje in de auto stapte kon ik het niet laten. ‘Hoeveel moest je hier nu voor betalen?’
‘Niets,’ grijnsde mijn lief. ‘dit is een onderdeel van het tanken bij een Palestijnse pomp. Of eigenlijk onderdeel van het gewone leven. Zodra je ergens moet wachten krijg je koffie. Of thee, net wat er is.’

Zo makkelijk kan vriendelijkheid dus gewoon zijn.

‘Kom, dan lopen we door.’ Mijn lief haalt me weer terug naar het nu en samen slenteren we de Christelijke wijk in van de Souk. Dan komt er plotseling een rij Joodse kinderen, twee aan twee,  de hoek om, begeleidt door een paar oudere mannen. Even ben ik in de war, ik dacht toch echt dat de Joodse wijk gesloten was? Waar komen deze kinderen nu ineens vandaan?
Terwijl ik daar over aan het nadenken ben passeert de rij ons. Vlak voordat de laatste paar jongens bij mij zijn schiet er eentje naast de twee die voor hem lopen en ik kan me vergissen, maar het lijkt erop dat hij zich extra breed maakt. Ik kan niet anders dan met mijn rug tegen de muur staan wachten tot ze voorbij zijn.

Verbijsterd kijk ik ze na. Gebeurde dit nu echt, of…?

Pas als ik een paar dagen later omver wordt gelopen door een groepje Joodse vrouwen besef ik me hoe deze twee werelden naast elkaar moeten leven.
Ik weet niet of ik hier ooit aan kan wennen…

– foto Gwennie Benjamins –

– foto Gwennie Benjamins –

Twee werelden

Het is druk op het terras waar we plaatsnemen om iets te eten. Mijn lief heeft mij beloofd dat we Shakshuka gaan eten, een gerecht dat ik thuis ook veel maak en dat wij gekscherend ‘een potje troostvoer’ noemen. Het herinnert hem aan thuis en we hadden niet kunnen bedenken dat onze benaming uiteindelijk zoveel werkelijkheid zou gaan bevatten voor één van ons, want troostvoer is het op dit moment echt geworden voor hem.

– foto Gwennie Benjamins –

Terwijl we van de zoete muntthee nippen en wachten op onze pannetjes kijk ik op mijn gemak rond. Arabische muziek schalt uit de speakers en in de deuropening staat een oude baas, met zijn gebedscap nog op zijn hoofd, mee te deinen op het ritme. Zijn armen gaan de lucht in en hij probeert een voorbijganger mee te krijgen in
zijn dans. Zijn zoons en kleinzoons bedienen ondertussen de gasten en raken hem af en toe liefkozend aan.

Het is me sowieso al opgevallen dat de Moslimmannen erg sociaal zijn met elkaar. Openlijk omhelzen en kussen ze elkaar en je ziet dat ze oprecht blij zijn om elkaar weer te ontmoeten. Voor een buitenstaander is het moeilijk te zien of de mannen elkaar lang niet gezien hebben of dat ze elkaar dagelijks tegenkomen. Hun ogen stralen als ze elkaar weer zien en regelmatig zie je twee mannen gearmd of hand in hand over straat lopen.

Als we van ons pannetje Shakshuka zitten te genieten zie ik plotseling dat er een jongeman met een keppeltje op het terras oploopt. Nieuwsgierig volg ik zijn gang, want het is overduidelijk dat we op een terras zitten dat door Moslimmannen wordt gerund en dat er voornamelijk Moslims aan de tafeltjes zitten, op een enkele toerist na.
De Tsietsiet zijn duidelijk zichtbaar, hangend onder zijn hemd.
Ik voel dat ik mijn adem inhoud, want als iets me duidelijk is geworden in de afgelopen dagen, is het wel dat Israëliërs en Moslims elkaar maar moeilijk verdragen. Ik hoop maar dat dit goed gaat. Ik merk dat mijn lief ook langzamer is gaan eten en de Joodse jongeman met zijn ogen volgt. Vanuit het restaurant horen we een harde schreeuw en één van de kleinzoons rent naar buiten. Weer roept hij en dan staan ze tegenover elkaar: de jonge Joodse man en zijn tegenpool in dit land, de jonge Moslim.
Uitgelaten slaan ze de armen om elkaar heen en omhelzen elkaar. De kleinzoon plant een kus op het voorhoofd van de Moslim jongen, deze woelt op zijn beurt door de krullen van de kleinzoon, dan laten ze elkaar snel weer los. Grijnzend van oor tot oor kijken ze elkaar aan. Samen lopen ze naar binnen, uit het zicht van het publiek.

Ik laat voorzichtig mijn ingehouden adem weer los en zeg tegen mijn lief: ‘Dat was een bijzonder moment…’ Ik merk dat ik even wat tranen moet wegslikken en prevel in mezelf: laat deze twee volkeren elkaar zo snel mogelijk omhelzen zoals deze twee jongens zojuist hebben gedaan. Alsjeblieft…

Maar ik ben bang dat we daar nog even op wachten moeten…

– foto internet –