Gezellig

Met z’n drieën schuiven ze aan het tafeltje naast me. De twee jongsten naast elkaar, de oudere versie tegenover hen. Moeder en twee dochters, het kan niet missen. Dezelfde kaaklijn, dezelfde neus, dezelfde houding, dezelfde omlaag hangende mondhoeken.
‘Hmmm, gezellig,’ knikt de moeder. Een van de twee dochters mompelt wat, de ander verbergt haar gezicht achter de menukaart.  Ik zie haar met haar ogen rollen, uit het zicht van haar moeder.
Gezellig, denk ik ook en ik heb op slag medelijden met de moeder.
Er wordt besteld en ik verdiep me weer in mijn boek.
‘Nu we hier toch zitten,’ hoor ik de moeder ineens zeggen. ‘Ik wil eigenlijk wel weten wat we nu met de paasdagen gaan doen.’
‘Hoezo?’ vraagt de oudste dochter. ‘Ik had toch al gezegd dat we kwamen?’
‘Ja, maar ik wil even met jullie overleggen welk restaurant ik kan reserveren voor…’
‘Restaurant?’ Nu veert de oudste dochter verschrikt op. ‘We zijn er al bij de koffie! Gaan we nu ook nog uit eten?’ De ogen van dochter nummer twee worden groot van schrik, ze houdt echter wijselijk haar mond.
‘Ik dacht… misschien…’ de moeder sluit haar mond met een klap.
‘Jeetje mam, je bent kerst zeker al vergeten?’ De oudste dochter zucht en legt haar hand onder de tafel op het been van haar zusje. Ze probeert te kalmeren, vermoed ik.
‘Nou ja, we zijn alweer een poosje verder en we kunnen toch niet zo door blijven gaan?’
Nu rolt de tweede dochter met haar ogen. Openlijk.
Het blijft even stil en alledrie verdiepen ze zich opnieuw in de menukaart, hun net gebrachte bestelling voor hun neus.
‘En als ik nu bij Janssens reserveer?’ probeert de moeder weer.
De twee zussen kijken elkaar een ogenblik aan. In drie seconden delen ze een wereld van woorden.
‘Stoffige tent,’ zegt de oudste.
‘Ome Jan misschien, dat is best wel gezellig.’
‘Zijn we laatst al een keer geweest en die keuken is zo veranderd, herken je echt niet meer terug.’
‘De Daalder dan?’ Moeder geeft duidelijk niet op.
De jongste zucht en haalt haar schouders op.
‘Gaan we dan brunchen of zo?’, probeert ze nog.
‘Nee, hoezo? Ik zit aan een viergangen-verrassingsmenu te denken.’
Nu kijkt de oudste haar moeder verbijsterd aan.
‘We gaan er een lange zit van maken?’ vraagt ze voor de zekerheid.
‘Lange zit? Hoezo? Jeetje, jullie zijn de volgende dag gewoon nog vrij hoor, dus wat maakt het uit als het laat wordt?’ Er komt een verbeten trek om de mond van de moeder.
‘Koffie en een borreltje?’ probeert een van de zussen nog een keer.
‘Diner!’ snerpt de moeder met een hoge stem.
De jongste zus kijkt ongemakkelijk om haar heen. Ik doe net of ik het niet hoor en nog steeds in mijn boek verdiept ben.
‘Oké, oké, maar laten we dan gewoon een restaurant kiezen, zonder al te lange zit.’ zegt de jongste dan.
De moeder knikt en leunt achterover. Ze roert in haar cappuccino en prikt een stukje appelgebak aan haar vorkje.
‘Gezellig!’ besluit ze en neemt tevreden een hap.

Advertenties

Homesick

Bijna zes weken zijn nu voorbij en alles wat ik me zo had voorgenomen komt eigenlijk niet uit. Ja, ik eet meer stamppot, dat is een feit, maar na zes weken zuurkool, boerenkool en rauwe andijviestamp, begin ik alweer genoeg te krijgen van die eenpansgerechten. Ik mis het gezelschap aan tafel, de gesprekken tijdens het koken en het eten.
Tegenwoordig bestaat mijn gezelschap rond etenstijd voornamelijk uit Netflix en afgelopen weekend besloot ik dat Netflix geen vriend van me is. Ook geen vijand. Wel een soort van holle, lege ruimte waar altijd plaats is voor een eenzame ziel.

Ook het voornemen om eens flink met mijn schrijven aan de slag te gaan lijkt te sneuvelen voordat het überhaupt tot leven is gebracht. Met het vertrek van mijn lief is mijn inspiratie verdwenen, in het niets opgelost. Ik schrijf niet meer dagelijks in mijn Moleskine en ook mijn blog komt er maar bekaaid vanaf. Ik zet me aan de keukentafel en staar naar witte bladzijden of klik doelloos wat sites aan om dan met een klap de deksel van mijn MacBook weer dicht te gooien.

Een paar weken geleden zei mijn moeder tegen mij: ‘Maar jij kan dat wel, alleen zijn…’ Eerst dacht ik: natuurlijk kan ik dat, alleen zijn. Later besefte ik: maar ook als ik het niet zou kunnen, heb ik geen keus. Ik móet wel. Hij is er gewoon bijna zeven maanden niet, het heeft dus niet zoveel zin om daarover na te denken.

En dan zijn er natuurlijk ook nog al die lieve mensen om me heen, waar ik in eerste instantie niet van verwachtte dat ze zo met me mee zouden leven, maar die plotseling als een vangnet om me heen staan. Collega’s worden vrienden, buren net iets meer dan enkel ‘de buurman of buurvrouw’. Sommige vriendinnen blijken echter niets met mijn gemis te hebben en verdwijnen uit het zicht. De kaartjes aan de muur in mijn keuken spreken boekdelen, net als al die uitnodigingen voor een borrel, een lunch, een wandeling en het samen gaan eten van een taartje. Kleine dingen, maar o zo kostbaar. En wat te denken van die ene, nog nooit geziene vriendin, die mij wekelijks een hart onder de riem steekt met haar lieve mailtjes vol vragen, wijsheid en lieve woorden. Ik hoop stiekem dat ze honderd kilo weegt, want ze is haar gewicht meer dan ooit in goud waard!

Ondertussen tel ik af.
Nog 22 weken…

*KLIK*

Wonderkind

Bij de garderobe sta ik achter haar, de transplantatie hematoloog van middelste. Met mijn ogen volg ik haar kordate bewegingen. Met een zwaai zwiept ze haar jas op de balie en plant haar koffer naast zich op de grond. Aan de ogen van het meisje achter de balie zie ik hoe ze verwonderd naar haar luistert. In mezelf moet ik een beetje lachen, want ik herinner me haar betogen maar al te goed. Luid en duidelijk vertelt ze je wat ze wil, hoe het zal gaan en wat ze van je verwacht. Gelukkig is enige zelfspot haar ook niet vreemd, want na dat allereerste gesprek met ons kroop ze plotseling in onze hoofden door te zeggen: ‘Ja, ik weet het, ik zie jullie lachen om mijn manier van praten, maar let op mijn woorden: ik weet waar ik het over heb en lieg nooit!’ En daarmee stal ze mijn hart!

Twee dagen ervoor had middelste zijn controle bij haar. Zijn bloedwaarden laten ongekende hoogten zien en aan zijn hele uiterlijk en voorkomen is te zien dat de zware periode van ziek zijn en doodsangst ver achter hem ligt. Hij straalt rust en gezondheid uit en dat wordt door haar ook bevestigd. Pas in mei hoeft hij weer terug te komen en dan zal er gekeken worden of hij zijn baby-inentingen (DKTP) weer kan krijgen.

Nu kom ik haar dus tegen bij dat congres waar ik naar toe ben gegaan op uitnodiging van de patiëntenvereniging.
Als ze eindelijk bij de balie wegloopt kijkt ze me recht in de ogen aan. Ik zie de flits van herkenning door de lachrimpeltjes en lichtjes die in haar ogen verschijnen als ze me groet.

Zij is er die dag in de rol van haar professie, ik ben er om te luisteren naar de onderzoeksmethoden die gestart zijn en worden met de ervaring van patiënten en hun achterban als hulp om deze onderzoeken zo goed als mogelijk te laten lukken.

Samen met iemand anders van de patiëntenvereniging luister ik naar een drietal voordrachten. De discussie die volgt is interessant, maar het echte gesprek volgt later als ik een persoonlijk onderhoud heb met één van de drie sprekers. Als moeder van een ex-patiënt durf ik rustig te beweren dat ik kan meepraten over wat wel en vooral niet nuttig is om in een vragenlijst te zetten.

We luisteren naar elkaar en bevragen elkaar op een kritische manier.
Wat de spreekster en ik gemeen hebben is de grote bewondering over de kunde van de grote groep hematologen die rondlopen bij dit congres.

Meer dan eens denk ik die dag terug aan wat ons is overkomen in de afgelopen anderhalf jaar en wat een wonder mijn kind is. Alleen daarom al wil ik mee blijven helpen bij deze patiëntenvereniging. Want als moeder gun je toch iedereen dit wonder van genezing?

Baby

‘Hoe vaak per nacht moet jij er nog uitkomen voor die twee van jou?’
Met een zucht leun ik achterover en wrijf door mijn ogen die maar niet wakker willen worden. De collega aan wie ik het gevraagd heb neemt mij van afstand op en begint te grinniken.
‘Geen idee,’ zegt ze dan. ‘Volgens mij ben ik er vannacht in ieder geval één keer uit geweest. Maar soms weet ik eigenlijk niet eens of de kinderen mij nu echt geroepen hebben of dat ik het gedroomd heb. Sterker, soms weet ik niet eens of ik er nu wél of niet uit ben geweest!’
Ik knik. Ik herken het. De automatische piloot waar je als moeder op inschakelt op het moment dat je kinderen krijgt. De nachten verlopen vaak als in een roes als er regelmatig van die gebroken nachten tussen zitten.

Maar die kinderen zijn bij mij al lang en breed de deur uit. Van gebroken nachten hoeft dus al lang geen sprake meer te zijn! En toch sta ik iedere nacht naast mijn bed. Soms drie keer per nacht.

Teckel Teun is voor de tweede keer in een drie maanden van slag.
Eerst in oktober omdat hij afscheid van zijn broer moest nemen en sinds een paar weken loopt hij zijn baas te zoeken, waarvan ik wel weet dat hij hem niet zal vinden.

Ten einde raad stort ik mijn hart uit bij mijn ouders. Dit laat kleine herinneringsbelletjes rinkelen, want zo’n 28 jaar geleden deed ik dit ook regelmatig.
‘Heeft hij het niet gewoon koud?’ vraagt mijn moeder.
Ik begin te lachen. Koud? Een hond die het koud heeft? Het moet niet gekker worden…
‘Nou, hij heeft altijd tegen het warme lijf van Skip aan gelegen, bovendien is hij ook de jongste niet meer,’ vervolgt mijn moeder. ‘Ik kan me best voorstellen dat hij het koud heeft ‘s-nachts. En hij is eenzaam. Natuurlijk wil hij dan bij jou liggen ‘s-nachts.’
‘Maar ik wil geen hond op bed!’ protesteer ik. ‘Mijn bed is míjn bed. Daar sliep vroeger geen kind in en nu zeker geen hond.’
‘Maar als hij het nu echt koud heeft…?’
Mijn moeder ziet mijn twijfel en staat dan op. Niet veel later komt ze met mijn oude kinderslaapzak terug.
‘Hier, neem dit mee en stop hem eens in als je naar bed gaat. Wie weet helpt het.’
Net als vroeger zeg ik niets. Ik pak de slaapzak aan en denk er het mijne van.

‘s-Avonds gaat Teckel Teun op de vierdubbel gevouwen slaapzak, in zijn mandje, onder een wollen dekentje waar ik hem voor alle zekerheid ook maar even goed onderstop.
Ik kijk toe hoe hij zich oprolt en zich vervolgens met een kreun van genot diep onder de deken nestelt.

Die nacht staat er geen bibberende hond staat mijn bed.
Sterker, ik krijg hem de volgende ochtend met moeite uit zijn mand om naar beneden te gaan.

We zijn nu een week verder en Teckel Teun slaapt als een roos, iedere avond opnieuw  als een baby ingebakerd in zijn dekentje. Mijn wallen verdwijnen langzaam.

Moeders raad, altijd fijn!

– foto Gwennie Benjamins –

Maatje

En toen was ik plotseling helemaal alleen. Het voelt wat onwennig, maar ik ben vastberaden om er een mooie draai aan te gaan geven.

De dag nadat mijn lief vertrok ben ik dus direct aan het werk gegaan. Heerlijk afleiding in een omgeving die plotseling meer warmte biedt dan een mens kan verzinnen. Want niet alleen de lieve, warme woorden (en armen) verwelkomden mij op die eerste werkdag in het nieuwe jaar, ook een enorme doos vol met cadeautjes, briefjes en kaartjes stond op mij te wachten. Meer dan genoeg om iedere week iets uit te halen en af te tellen tot de terugkomst van mijn lief.
Een mens kan het slechter treffen…

Het eerste weekend werd het voor mijn gevoel pas echt spannend. Hoe zou het gaan, zo in mijn eentje op de bank? Trok ik nu wel of geen flesje wijn open voor mij alleen? (wel dus! 😊)
Ging ik nu wel of niet uitgebreid voor mezelf koken of smeerde ik gewoon lekker makkelijk een boterham met een gebakken ei of iets dergelijks? Maar 28 weken alleen maar brood eten is ook zoiets… Dus al snel bedacht ik dat ik beter gewoon mijn maaltje kon klaarmaken en dan wat porties in kon vriezen, zo snijdt het mes aan twee kanten… gezond bezig én slim!

Vorige week zaterdag toog ik dus naar de winkel voor de wekelijkse boodschappen, trakteerde mezelf op een paar nieuwe laarzen en kocht wat cadeautjes voor naderende verjaardagen.
Ik trakteerde mezelf op een groot glas verse gemberthee in de stad en bladerde door wat magazines die op de leestafel van ons favoriete koffietentje lagen. Ik luisterde naar de gesprekken om me heen en schreef wat regels in mijn Moleskine die standaard in mijn tas zit. Toen besloot ik dat het misschien wel gewoon een mooie dag was en dat ik mijn eigen gezelschap eigenlijk best wel op prijs stelde.

Ingenomen over zoveel tevredenheid reed ik op mijn gemakje naar huis.

Pas toen ik een overblije hond moest kalmeren omdat hij van gekkigheid niet wist hoe hij mij het beste kon begroeten schrok ik even van mijn eigen stem. Het was bijna drie uur in de middag en hoewel mijn stappenteller de 10.000 passen bijna aantikte, had mijn mond misschien hooguit vijf woorden die dag geproduceerd.

Ik moet meer praten in mijn eentje. Of met de hond!
Mijn thuismaatje.Maatje

2018!

Dag 2017, met je angsten en verdriet, je rauwe randjes en zorgen om de mensen die me zo lief zijn.
Dag 2017, je liet me de diepere dalen van het leven zien, zorgde voor slapeloze nachten gevuld met demonen en de donkerste schaduwen die ik nog nooit eerder gezien had. Je dreef me soms tot waanzin en verlamde me van ongerustheid.
Dag 2017, door jou leerde ik mijn eigen krachten pas echt goed kennen. Mijn veerkracht, mijn onverbiddelijke vechtlust. Je bracht me vaak tot stilstand en liet me de belangrijkste zaken van het leven kennen.
Dag 2017, jaar van wedergeboorte, geloof, kracht en zoveel liefde. Ik laat je achter met gemengde gevoelens, maar ik weet dat ik je nooit vergeten zal!

Hallo 2018, met je nog onbeschreven blaadjes, je beloftes en verrassingen. Alle mooie dingen in het verschiet. Ik vraag me af wat je allemaal voor mij in petto hebt. Zal je stralen van gezondheid, geluk en liefde? Zal je net zo onvergetelijk worden als je voorganger, misschien wel  vanuit een mooiere hoek? Zullen jouw hoogtepunten zegevieren en zal ik blij met je zijn?
Hallo 2018, ik heb er wel zin in. Zullen we gaan?

Fijne kerst!

Er was eens een kaarsje, heel klein van stuk,
hij lag verloren in de hoek van een zwaar en donker meubelstuk.
Niemand vindt mij mooi, niemand vindt mij leuk,
niemand weet dat ik hier lig, niemand kent mijn toverspreuk.
Hij pinkte een traan weg en rolde verder van de anderen weg,
en als de la weer eens openging, dacht hij alleen maar aan zijn eigen pech.
‘Hou toch eens op!’ riepen de andere kaarsen, groot en stevig van formaat,
‘Het gaat niet om de grootte, het gaat enkel om je daad.
Het licht dat jij geeft is alle anderen net zo lief,
dat weten wij zeker, denk toch eens positief!’
Er volgde wat gemurmel en toen ineens met een grote zwaai,
rolden ze de kleine kaars naar voren, in een ommezwaai.
Toen de la weer open ging klonk een blije kreet,
‘Mama! Ik heb een mooie piek gevonden! Nu is de boom toch nog compleet!’
En zo werd op kerstavond het kleine, rode kaarsje de ster van de nacht.
Het scheen zijn licht naar alle andere kaarsen en overzag alle pracht.
Ik wens je heel veel van dit soort kleine kaarsjes toe in het komende jaar,
met iedereen die je lief is, voor jezelf en voor elkaar!