Fantastico!

De warmte hangt als een zware deken om ons heen. Vanonder de overdekte bogen op het Piazza proberen we te ontdekken waar we onze lunch gaan gebruiken. De paar tafeltjes die zo links en rechts bij de restaurants in de schaduw staan zijn allemaal bezet.
‘Of wil je misschien binnen zitten?’, vraagt mijn lief.
Tot mijn eigen verrassing knik ik instemmend.
De zomer is heet, de zon brandt genadeloos aan een wolkenloze hemel en voor het eerst snak ik op vakantie naar een spatje regen.
‘Kom, we lopen eens wat straatjes in.’
Mijn lief pakt mijn hand en een seconde later steken we het Piazza over in de richting van een nauw straatje. Daar heeft hij een rode parasol gespot, dus daar zal iets te doen moeten zijn.

Niet veel later stappen we een winkel annex bar binnen. Hier is het mogelijk nog drukker dan op het plein!
Een kelner snelt ons voorbij, hard ‘Scusa! Scusa!’ roepend. Zijn armen houdt hij in de lucht, terwijl op beide handen een bord met eten balanceert.
Lief grijpt mijn hand en trekt me met zich mee. Achter de kelner aan.
Achterin de winkel is een kleine boog en als we daar onderdoor lopen staan we plotseling in een kantine-achtige ruimte. Niet meer dan 30 zitplaatsen, verdeeld over zo’n 10 tafeltjes.
De ober rent naar ons toe en we krijgen een stortvloed van woorden over ons heen gegoten.
Dacht ik de afgelopen dagen nog dat ik me best verstaanbaar kon maken hier, die illusie wordt met één beweging van tafel geveegd door deze man.

Na verschillende pogingen geven we het op. Waarschijnlijk is er gewoon geen plaats.
Als we terug de winkel in lopen, houdt de man achter de toonbank ons tegen. Weer volgt een gesprek, maar nu half in het Engels, half in het Italiaans. We begrijpen: 30 minuutjes wachten en dan is er plaats.

Lief kijkt mij vragend aan en ik antwoord snel: ‘Si, si, è buono!’
Als antwoord ontvangen we een grote lach en tien seconden later staan we met een glas Prosecco in onze handen te wachten in de winkel.

Als we na een kleine dertig minuten aan tafel kunnen, vind ik het bijna jammer om de winkel uit te moeten. Het is me duidelijk geworden dat dit niet een gewone winkel is, maar dat het meer richting traiteur neigt. Al het eten wordt iedere dag vers bereid en we eten louter traditionele gerechten.

Halverwege de maaltijd kijken we elkaar verbijsterd aan.
Wat een lawaai! Wat een gekakel. De een is nog luidruchtiger dan de ander. Dat er tussen mij en een volgend tafeltje een baby gewoon in zijn kinderwagen ligt te slapen mag wel een wonder heten. Zelfs mijn lief, met zijn normaal toch wel luide stem, heeft moeite om boven de gesprekken uit te komen.

Als we de volgende dag weer komen, krijgen we – naast de vriendschappelijke begroeting – niet alleen een Prosecco vooraf, maar ook een Limoncello bij het kopje koffie na de maaltijd. Ik vermoed dat we hard op weg zijn om nieuwe vrienden te maken.

È fantastico!!

– Foto: Gwennie Benjamins –

Advertenties

Happiness

De laatste dagen voor ‘De Terugkomst’ bekroop me af en toe een gevoel. Een gevoel dat ik niet kon staven. Een gevoel dat roet in het eten strooide van het blije uitkijken naar datgene waar ik maanden naar verlangde. Een gevoel wat ik al helemaal niet wilde voelen!
Ik drukte het dus weg en bedekte het met een laag beton, alsof het op die manier niet bestond.

Maar het knaagde, prikte af en toe in mijn buik, en steeds weer duwde ik het de diepte in, terwijl ik me met de dag angstiger en verdrietiger ging voelen.
Dit was niet wat ik voor ogen had, dit was helemaal niet de bedoeling!
Ik wilde blij zijn, me verheugen op de terugkeer van mijn lief.
Ik wilde lachen, zingen, dansen en trots zijn op hoe we het de afgelopen maanden allemaal hadden gemanaged.
In plaats daarvan werd ik stiller en voelde me eenzamer dan ooit.

Wat nu als we elkaar niet meer zo leuk vonden als voordat hij wegging? Wat nu als hij me niet meer zo lief vond als al die maanden geleden of ik me zou gaan ergeren aan de ruimte die hij weer zou in gaan nemen in ons huis? In mijn huis, met mijn auto voor de deur en mijn hond die de afgelopen maanden wél bij me was gebleven…
Misschien was het zelfs wel beter als hij gewoon weg zou blijven, als het evenwicht dat ik na maanden balanceren eindelijk had hervonden niet verstoord zou worden. Ik was al zo moe en wist zeker dat ik de energie niet meer had om opnieuw de weegschaal van het samenzijn in balans te krijgen.

Ik schrok van mezelf en het gevoel dat door mijn lijf raasde.
Iedereen in onze omgeving weet hoeveel mijn lief en ik van elkaar houden. Hoe ontzettend gek we op elkaar zijn en hoe weinig we zonder elkaar kunnen.

En dan nu dit gevoel.

Diep van binnen borrelde ook een woede onder alle angst en verdriet. Woede en frustratie om het alleen achtergelaten worden door het werk van mijn lief. Boosheid om het normaal te vinden dat hele gezinnen achterblijven, terwijl de partner in een ver land aan het werk is.

De laatste nacht kwam het niet van slapen. Pieker momenten en tranen wisselden elkaar af, terwijl ik de wekker in de gaten hield om de laatste uren zo snel mogelijk af te kunnen tellen.

Pas thuis, met mijn militair op de bank naast me, zijn hand in de mijne, daalde een groot besef van geluk en liefde terug in mijn lijf. Voor me lag het boek van een van mijn lievelingsfilms voor me, meegenomen door mijn lief voor mij.
Achterin had hij een regel onderstreept.
En plotseling wist ik het weer: wat hou ik veel van jou en wat horen wij bij elkaar!

  

Zinnigs

‘Jeetje, komt hij nú alweer bijna thuis? Die tijd is toch echt voorbij gevlogen, is het niet?’
Verbijsterd kijk ik naar degene met wie ik sta te praten. Dit moet toch een grapje zijn? Een soort van vreemde humor om aan te geven dat ze eigenlijk vindt dat het wel heel lang heeft geduurd.

Aan haar ogen zie ik echter dat ze het oprecht meent.
Ik haal diep adem en kijk haar dan recht in de ogen.
‘Voor jou zal de tijd best snel gegaan zijn,’ zeg ik dan. ‘Ik kan je echter verzekeren dat het voor mij echt heel anders heeft gevoeld. Nog steeds voelt eigenlijk…’
Verwarring wisselt zich af met verbazing en dan zie ik plotseling een verbeten trek op haar gezicht komen.
‘Nou ja, dit wist je van te voren, toch? Hier kiezen ze voor. Hier worden ze uiteraard ook gewoon voor betaald. Jullie krijgen toch extra geld in deze tijd?’
Door mijn hoofd schieten zinnen als: ‘Gevarengeld ja’ en ‘Ik heb niet voor zijn beroep gekozen, ik heb voor hem gekozen.’
Ik slik ze allemaal in.
Ik lach wat naar haar en mompel dat ik verder moet. Dat ik het druk heb.
‘Nou, geniet nog maar even van deze laatste dagen alleen, hoor,’ groet ze terug. ‘Wedden dat je straks weer terug snakt naar je tijd alleen? Het geeft natuurlijk ook wel heel veel vrijheid voor je.’

Pas als ik thuis ben laat ik mijn frustratie de vrije loop.
Ik vloek, ik gooi een kussen door de kamer en plof dan op de bank om heel hard te huilen.
Al die weekenden dat ik me alleen heb gevoeld, al die nachten waarin ik het miste dat ik bij het omdraaien de hand van mijn lief kon pakken om zo in slaap te vallen, al die keren waarin ik me tien keer moest bedenken of ik nu wel of niet via FaceTime aan hem moest vertellen dat tijdens zijn afwezigheid een klager van mijn werk mij belaagde met vervelende mailtjes en telefoontjes. De scheldserenades die ik van de man in kwestie moest aanhoren, op een gegeven moment zelfs midden in de nacht. Al die momenten van angst en onzekerheid komen eruit in een huilbui die urenlang duurt.
En dan raap ik mezelf weer bij elkaar. Ik recht mijn schouders, drink een glas water, haal heel diep adem en zeg hardop: mij krijg je niet klein! Stom mormel…
En dan lach ik toch weer een beetje door mijn tranen heen.
Ik denk aan mijn moeder, die vroeger al tegen ons zei: ‘als je nu niets leuks te vertellen hebt, hou dan maar je mond…’

Nog 6 dagen, 2 uur en 10 minuten.
Dan is mijn militair thuis na 6 1/2 maand uitzending.

Ik kan niet wachten!

Bucketlist

Ooit maakte ik een Bucketlist. Zo’n mooie rij met dingen die ik nog graag wilde zien, wilde doen. Om mezelf uit te dagen zette ik de meest gekke dingen erop. Zwemmen met dolfijnen, Yoga op een bergtop doen, het Noorderlicht zien, een vreemde taal leren (anders dan Duits, Engels, Frans of Spaans), heel hard zingen in de regen met iemand van wie ik erg veel hou…
Veel van die zaken heb ik kunnen afstrepen.
De zon zien opkomen in The Grand Canyon? ✅
Met mijn voeten staan in de Atlantische Oceaan en Stille Oceaan ✅
Verhuizen naar een huisje dichtbij de bosrand ✅

Iedere keer als ik iets kon afstrepen maakte mijn hart een sprongetje. Wéér iets gedaan waarin ik uitgedaagd werd door mezelf. Wéér een mooie droom verwezenlijkt.

De afgelopen weken had ik de mogelijkheid om mijn lief op te zoeken tijdens zijn lange periode weg van huis. Hij had verlof en ik vloog naar hem toe.
In een paar dagen tijd streepte ik meerdere zaken af van mijn lijstje.
Drijven in de Dode zee ✅
Slapen in de woestijn ✅
Bij de Bedoeïenen thee drinken ✅
Petra zien en beleven ✅

Net als de andere keren maakte mijn hart een sprongetje als ik weer een streepje mocht zetten door een langgekoesterde wens.

En toch voelde het allemaal wat gek.
Natuurlijk genoot ik van al die bijzondere kansen die we kregen door de uitzending van mijn lief, hoewel ik hem eerlijk gezegd gewoon al die tijd veel liever naast me in Nederland had gehouden. Het missen van iemand kan soms scherp en rauw zijn.
Lang moest ik nadenken over het randje onbehagen in mijn lijf wat ik maar bleef voelen tijdens al die mooie dagen.

Pas tijdens het sterren kijken in de Wadi Rum druppelde bij me binnen wat er schuurde.
Die enorme vrijheid die wij hebben, de mogelijkheid om dit allemaal mee te mogen maken, het kan soms ontzettend overweldigend zijn. Plotseling hoorde ik de dromerige stem van de Palestijnse baas van mijn lief. Het verlangen om weer vrij de grens over te kunnen steken binnen zijn eigen land om met zijn voeten in de zee bij Tel Aviv pootje te kunnen baden of een ijsje te kunnen likken met zijn jonge zoons terwijl ze de zon zouden kunnen zien ondergaan in Jaffa.

Zijn Bucketlist zit anders in elkaar dan die van mij.
En hoe gek mijn wensen op die lijst ook zijn, ze lijken bijna makkelijker te realiseren dan die van hem…

– Foto Gwennie Benjamins –

Woestijnleven

Met z’n veertienen zitten we op de hoge rotsen achter ons kamp. We kletsen, lachen, maken foto’s van de omgeving en van elkaar. Zo af en toe kijken we richting de zon. Nooit te lang, want hoewel hij al behoorlijk aan het zakken is blijft hij nog steeds te fel om er goed naar te kijken.
De kamphond is met ons mee naar boven geklommen en rent van de een naar de ander. Blaffend, uitdagend, hij is nog jong.

Plotseling verandert het licht. Wit wordt zilver, de zon lijkt vloeibaar goud.
Zonder iets te zeggen laten we ons één voor één op de rots zakken.
Mijn lief zit naast me. Zijn arm raakt de mijne, onze vingers vlechten zich samen tot één hand.
Het rode zand van de woestijn ademt leven, bergen veranderen in donkere schimmen.
Net voordat de zon echt achter de bergen wegzakt vlamt de hemel nog een laatste keer rood op om daarna in violet en indigo blauw te kleuren.

Ik laat mijn adem sissend ontsnappen en merk ineens dat ik hem al een tijdje heb ingehouden. Met een diepe teug adem ik weer in.
Langzaam staan de anderen op om naar beneden te gaan.
De zon is onder, de Ramadan voor die dag is ten einde.
Ik laat de stilte nog even op me inwerken en loop dan samen met mijn lief naar het kamp terug. Naar de eerste maaltijd van onze gastheren van die dag; de Iftar.

Na de maaltijd lopen we met z’n allen naar buiten. Onze gastheren hebben grote matten op het terras gelegd en niet veel later liggen we met z’n allen op onze rug voor het kamp naar de sterrenhemel staren. Weer valt er een diepe stilte over iedereen heen. Ik kom ogen tekort om alle sterren te zien, ik kom lijf tekort om het allemaal te bevatten. Tranen stromen over mijn wangen. Wat zijn we klein, wat is de wereld een speldenprikje in dat enorme heelal. Wat bijzonder dat we op dat kleine plekje mogen leven. Met elkaar. Bedoeïen, moslim, christen, jood, het maakt hier in de woestijn helemaal niets uit.

We leven en dat is genoeg!

– Foto: Gwennie Benjamins –

Onmiddellijk

Bij ons op de basisschool hadden we zo’n juf die inviel op de momenten dat er eens een keer een leraar of lerares ziek was. Ook was zij degene die de hele klas voorbereidde op de Heilige communie en het vormsel. Ze verleidde kinderen om in het kinderkoor te gaan zingen om zo ook op een bepaalde manier zeker te zijn dat het jongerenkoor van de kerk te zijner tijd gevuld zou worden met diegene die te oud werden om met heldere kinderstemmetjes het ‘Gloria in Excelcis Deo’ ten gehore te brengen in de zondagsmis.

Deze juf had ook de taak om in de zesde klas zorg te dragen voor de les: seksuele voorlichting.
Dagenlang werd er over gegiebeld door de meisjes van de klas en het kan aan mijn verbeelding liggen, maar de jongens liepen in die periode nét iets stoerder door de gangen. Alsof zij de reden van alle ophef waren.

De leerkrachten van die tijd lieten dat graag aan haar over. Misschien omdat ze het zelf niet aandurfden om dertig paar ogen nieuwsgierig op zich gericht te krijgen, de schaamte ten top. Hoe moesten ze een uur na die voorlichting nog op een rustige manier uitleggen dat de stad waar wij woonden zoveel meter onder de zeespiegel lag, dat we allemaal zouden verdrinken als de dijken zouden doorbrengen als ze een uur daarvoor nog hadden voorgedaan hoe je je met een condoom kon beschermen tegen zwangerschappen?

Goed. De juf dus.

Deze juf had een hartstochtelijk gevoel bij het woord: onmiddellijk.
Nog steeds als ik dit woord moet schrijven hoor ik haar reclameren: ‘On-mid-del-lijk!! Met twee D’s en twee Ellen. Nooit vergeten!!’
Nog steeds zie ik haar het woord met een krijtje met enorme koeienletters op het zwarte schoolbord schrijven. De twee D’s en Ellen dik onderstreept en met dubbele uitroeptekens erachter, maakte dat ik me bewust was van de belangrijkheid van het woord.

Onmiddellijk.

De laatste jaren trek ik steeds vaker mijn wenkbrauwen op als iemand tegen mij zegt dat hij (of zij) het liefst onmiddellijk antwoord willen krijgen op de gestelde vraag of het verzoek om iets gedaan te krijgen. Die juf van toen leeft wat mij betreft iets teveel door in mijn huidige leventje.
En dus doe ik al tijden aan yoga, mediteer ik iedere ochtend zo’n tien minuten voordat ik echt aan de dag ga beginnen.
Wat heeft het tenslotte voor zin om alles direct te doen als er ook nog een morgen is?
Ik wil meer rust in mijn hoofd en mijn lijf.

En wel onmiddellijk.

– Foto: Robert Doisneau –

Teckel Teun

Bijna acht maanden geleden stond het leven van teckel Teun volledig op z’n kop. Z’n grote broer was te ziek om nog verder te leven. En hoe graag we hem ook heel veel langer bij ons wilden houden, het was vele malen beter voor hem dat we de moeilijkste beslissing maakten die je als baasje mag maken.

De dierenarts kwam op een zonnige woensdagmiddag en al na het eerste prikje om hem rustig te krijgen sloot hij zijn ogen. En zijn hart…
Teun was ontroostbaar. Nachtenlang huilde hij als een kleine wolf. Met hem huilden mijn lief en ik, maar wel samen in de grote bench. Teun lag alleen en kon het niet aan. Zijn leven lang lag hij opgekruld tegen zijn grote broer en nu was het koud en eenzaam op zijn slaapplek.
En dus kreeg meneer een nieuw (klein) mandje en verhuisde ‘s-nachts met ons mee naar de slaapkamer.

Net gewend aan het enig hondje zijn, pakte de grote baas zijn legerkisten in om voor zeven maanden naar het buitenland te verhuizen.
Daar zat hij dan. Opnieuw achtergelaten door iemand waar hij zo veel aan hangt.
Alleen met het vrouwtje, die de baas misschien nog wel erger mist dan hij.

Zeven dagen in de week ligt hij nu ‘s-avonds naast het vrouwtje op de bank. Zeven dagen in de week sleept hij zijn botje van de bank naar zijn mand en weer terug naar de bank om daar aan mijn voeten te gaan liggen knagen. Zeven dagen in de week houdt hij de wacht en blaft iedere duif de tuin uit. Zeven dagen in de week laat hij mij een paar keer per dag uit. Zeven dagen in de week slooft hij zich uit met z’n balletje om mij, zijn vrouwtje, aan het lachen te maken en zeven nachten in de week ligt hij tevreden te ronken in zijn mandje naast mijn bed.

Teckel Teun en ik, we zijn een onafscheidelijk stel geworden.
Het liefst nam ik hem ook gezellig mee naar mijn werk, maar dat is misschien teveel van het goede.

– Foto Gwennie Benjamins –